Vandaag vinden we in Nederland een steeds groter wordende groep gelovigen die de leer aanhangt dat tekenen en wonderen van het komende koninkrijk vandaag al moeten worden gezien. Dit zouden de ‘grotere werken’ zijn uit Jh14:12 (zie onder). Het Evangelisch Werkverband, Royal mission, New Wine, Stichting Opwekking en ook Het Evangelisch College zijn gezwicht voor deze visie en gaan zelfs zo ver dat dit het uitgangspunt is geworden van hun hele onderwijs. Als je bedenkt hoeveel invloed deze organisaties hebben in Nederland dan is de situatie alarmerend. Naast deze grote instanties zijn er ook nog de vele Bijbelleraren die deze visie uitdragen. Men spreekt van het ‘reeds’ en het ‘nog niet’ van het komende koninkrijk van de Heer Jezus. Als er immers straks tijdens dat koninkrijk genezing en kracht zal zijn, dan moeten wij als ‘vooruitgeschoven posten’ van de komende Koning toch al ‘iets’ van deze krachten van de toekomstige eeuw (zie Hb6:5) aan de wereld tonen? Mijn antwoord is: nee, dat moeten wij niet, eenvoudigweg omdat de Schrift dit nergens leert in het Nieuwe Testament. Als Paulus bijvoorbeeld spreekt over de komende ‘dag’ (de verschijning en het koningschap van de Heer Jezus), dan verbindt hij dat nooit met uiterlijke kracht zoals tekenen en wonderen, maar altijd alleen met de morele kenmerken van die dag.

De nacht is ver gevorderd en de dag is nabij. Laten wij dan de werken van de duisternis afleggen en de wapens van het licht aandoen. Rm13:11

Maar u, broeders, bent niet in de duisternis, zodat die dag u als een dief zou overvallen; want u bent allen zonen van het licht en zonen van de dag. Wij zijn niet van de nacht of van de duisternis. Laten wij dus niet slapen zoals de overigen, maar laten wij waken en nuchter zijn. 1Ts5:4-6

Als hij uitgebreid heeft geschreven over de komst van de Heer en de komende antichrist schrijft hij:

Daarom, broeders, staat vast en houdt de inzettingen die u geleerd zijn, hetzij door ons woord, hetzij door onze brief. 2Ts2:15

De ‘krachten van de toekomstige eeuw’ zijn verricht door de apostelen en zij (profeten) die het fundament legden van de gemeente (Ef2:20). De HEERE God getuigde mee aan hun prediking door tekenen en wonderen en allerlei krachten uit te delen in de begintijd van de gemeente. Deze boodschap was zó radicaal nieuw in een gevestigd Jodendom en een heidense afgodencultuur dat deze tekenen en wonderen het woord van de apostelen en profeten ondersteunde als zijnde van God afkomstig (zie Rm15:19). Het fundament is nu allang geleden gelegd en ieder zie nu toe hoe hij daarop bouwt (1Ko3:10). We hoeven niet opnieuw het fundament te leggen, maar bouwen verder op dit fundament door het woord van God op de gewetens toe te passen zoals Paulus in bovenstaande citaten doet en niet door mensen op te roepen datgene te doen wat was voorbehouden aan de apostelen en profeten van de begintijd. Als de Korinthiërs streven naar dit soort gaven van genezing, profetie en talen, dan verwijt Paulus hen dat ze al denken te regeren hier op aarde.

Reeds bent u verzadigd, reeds bent u rijk geworden, zonder ons hebt u geregeerd; en ik zou wel willen dat u regeerde, opdat ook wij met u regeerden. 1Ko4:8

Zij begrepen niet de tijd waarin ze leefden. Ze hadden grote woorden, maar geen geestelijke kracht (1Ko4:19-20). Het koninkrijk van God bestaat in kracht, niet uiterlijk, maar innerlijke kracht opdat levens worden veranderd naar het beeld van de Heer Jezus (zie 1Ko2:4, Ef3:17). Tegen de Korinthiërs, die vleselijk waren zegt Paulus: ‘Zijn soms allen apostelen’ (1Ko12:29)? Het antwoord is uiteraard: nee!

De kern van deze hele verwarring is het zicht op wat de gemeente is en wat de kenmerken zijn van onze tijd. De leer dat wij vandaag tekenen en wonderen moeten verrichten en dat dit geestelijke kracht zou zijn denkt men te vinden in deze tekst:

Voorwaar, voorwaar, Ik zeg u: wie in Mij gelooft, de werken die Ik doe zal hij ook doen, en hij zal grotere doen dan deze, omdat Ik heenga naar de Vader. Jh14:12

Nu is het overduidelijk dat er geen grotere wonderen en tekenen zijn dan zieken genezen, demonen uitdrijven en doden opwekken. Nu, dit is precies wat de discipelen allemaal hadden gedaan (inclusief Judas!), zie Mt10:1,8. Dus de ‘grotere werken’ van Jh14:12 kunnen niet op deze dingen slaan. Wat vaak niet wordt gelezen, maar wat er wel staat is ‘omdat Ik heenga naar de Vader’. Dit is nu precies de reden waarom gelovigen grotere werken kunnen doen dan die de Heer deed. Hij predikte vóór het kruis en toonde mensen de genade die er is in de Vader. Maar wij, ná het kruis, kunnen mensen verbinden met een verheerlijkt Mens in de hemel, de Heer Jezus. Dát kon nog niet voor het kruis, waarin wel wedergeboorte en redding werd gepredikt, maar nog niet hét kenmerk van deze tijd en van wat de gemeente is namelijk een onlosmakelijke eenheid met een verheerlijkt Mens in de hemel en de inwoning van de Heilige Geest op aarde. Deze zaken tonen Gods volmaakte rust in het volbrachte werk van zijn Zoon.

Dit nu zei Hij van de Geest, die zij die in Hem geloven, zouden ontvangen; want de Geest was er nog niet, omdat Jezus nog niet was verheerlijkt. Jh7:39

Voordat Jezus verheerlijkt was konden mensen nog niet de Heilige Geest ontvangen, want Deze wordt op grond van geloof in het volbrachte werk op het kruis gegeven. De grotere werken van Jh14:12 bestaan in het verbinden van zondaars, via het evangelie, met een verheerlijkt Mens in de hemel in wie iedere gelovige is ‘voleindigd’ (Ko2:10), aangenaam gemaakt in de Geliefde voor God (Ef1:6). Het Nieuwe Testament leert vervolgens overduidelijk niet dat wij nu tekenen en wonderen moeten nastreven, maar dat we behoren op te groeien in de kennis van God door de Heer Jezus (zie 1Ko2:12-13; Ef3:17-18; 4:13,15-16; Ko1:10; 2:6-7; 2Pt3:18). In Hem leren we God de Vader kennen die Zich in het volbrachte werk op het kruis volkomen heeft geopenbaard. We kunnen vervuld worden tot de hele volheid van God (Ef3:18). Dit terwijl wij in onze lichamen juist zwak en breekbaar zijn (2Ko12:10). Deze hele leer richt onze gedachten weer op ‘hier beneden’, op genezing, kracht in de natuurlijke zaken terwijl de Bijbel ons oproept bezig te zijn met de dingen van boven (Ko3:1-3), daar waar de Heer Jezus is in Wie alle schatten van de kennis en wijsheid verborgen zijn (Ko2:4). Ik wijs daarom met klem af wat vandaag door eerder genoemde organisaties wordt verkondigd en roep tevens iedere gelovige op die dit leest om zich van deze leer te distantiëren. Alleen dán zijn wij een ‘vat tot eer, geheiligd, bruikbaar voor de Meester’ (2Tm2:21).