Als er één Bijbels onderwerp te bedenken is waarover de meningen verdeeld zijn, is het wel de tongentaal. In sommige kringen wordt er veel waarde gehecht aan deze gave van genade (‘Het is de belangrijkste gave’) en in andere kringen komt het niet of nauwelijks voor (‘Het was alleen voor toen’). Voordat ik hier dieper op inga eerst dit: Wij lopen in Nederland het grote risico scheuringen en splitsingen te veroorzaken door verschillende visies op bepaalde leringen. Dit is ook veel gebeurd. Wij hebben de opdracht elkaar lief te hebben en geen scheuringen te veroorzaken. Daarom is het goed om, voordat we de Bijbel onderzoeken op dit soort thema’s, ons te beseffen, dat we met de juiste ‘leer’ toch mensen van elkaar kunnen verwijderen. Ik wil dan ook niet met dit artikel mensen die anders denken over de tongentaal van me wegduwen. Ik wil de eenheid van de Geest bewaren (Ef4:3). Hoewel we de opdracht hebben de Schrift te onderzoeken om dwaalleer te bestrijden, maar dat moet niet doorslaan. Ik geef mijn visie dus wel, maar besef mij dat ik hiermee onterecht anderen kan veroordelen en dat wil ik niet. Daar waar de fundamenten van het christelijk geloof worden aangetast, moeten we zonder compromis zijn. Daar waar het om randzaken gaat, mogen we beslist duidelijk zijn vanuit onze overtuiging, maar toch met de houding van ‘ik heb ook het laatste woord niet’. Terug naar ons onderwerp: de tongentaal.

Oprechte christenen ervaren veel steun aan de tongentaal, die, zeggen ze, een gebedstaal is die alleen door God kan worden begrepen. Het is voor als we zelf geen woorden meer hebben, dan neemt de Geest het over. Ik begin met te zeggen dat ik dat in mijn persoonlijke leven met God niet ken. Misschien ben ik daarom niet objectief, maar wie is dat eigenlijk wel in welk onderwerp dan ook?

De grote vraag is, zonder de motieven van dergelijke gelovigen te willen aantasten, of een dergelijke ‘gebedstaal’ wel voorkomt in de Bijbel. Zoals u in onderstaande studie kunt lezen, is dit m.i. niet het geval. Ik zeg dit voorzichtig, want het is een lastig thema. Wij moeten daarom goed onderzoeken wat de Bijbel nu bedoelt met de ‘talen’ die werden gesproken.

Velen hebben daarom geprobeerd een evenwichtige visie op dit onderwerp te ontwikkelen. Het moet worden toegegeven dat dit verre van eenvoudig is, omdat:

*De Schriftgegevens zich lijken tegen te spreken op sommige onderdelen.

*We niet precies weten waar Paulus op doelt in de eerste Korinthebrief. Tussen de regels door kunnen we reconstrueren wat er ongeveer aan de hand moet zijn geweest. De grote vraag is: Zijn de talen waar hij over schrijft bestaande talen, of is het ook een gebedstaal?

*Het verschijnsel uit het boek Handelingen moeilijk te rijmen lijkt met het verschijnsel uit de eerste Korinthebrief. In Handelingen was kennelijk geen uitleg nodig.

*Het woord ‘glossalie’ letterlijk ‘talen’ betekent, dus over welke specifieke talen heeft Paulus het in 1Ko?

*Als er sprake is van bestaande talen in 1Ko14, waarom is dan de uitleg een geestelijke gave in plaats van een menselijke vertaling?

Op al deze vragen heb ik nog geen 100% sluitende antwoorden kunnen vinden. De vraag is of dit wel mogelijk is trouwens. Grofweg gezien zijn er twee uiterste visies; de visie dat de tongentaal niet meer voor nu is, noem ik de extreem conservatieve visie (EC), ook wel de ‘streeptheologie’ genoemd, omdat ze een streep zet na de tijd van Handelingen. De andere visie, dat iedereen, zelfs kinderen in tongen moeten spreken, is dan de extreem progressieve visie (EP). Daartussen zijn allerlei andere standpunten die variëren van gematigd conservatief (GC: ‘De tongentaal is er als speciale gave voor bepaalde bedieningen’) en gematigd progressief (GP: ‘de tongentaal is voor iedereen beschikbaar’).

Zoals gezegd is één van de grootste problemen het omgaan met de schijnbare tegenstrijdigheden in de Schriftgegevens. Immers, in het boek Handelingen, vooral hoofdstuk 2, zijn de tongen letterlijk bestaande talen, maar in 1Ko lijkt het te gaan over niet verstaanbare talen, die niet moeten worden vertaald, maar uitgelegd. ‘Niemand verstaat het’ (1Ko14:2), terwijl in Hd2 juist iedereen het verstond! En juist op het moment dat Paulus een soort definitie lijkt te geven van de tongentaal (of in ieder geval het doel), zegt hij dat het een teken is voor de ongelovigen (1Ko14:22, met een citaat uit Js28:11 waaruit blijkt dat hiermee de Joden worden bedoeld). Dit komt overeen met Marcus 16:17 waar tongen of nieuwe talen ook in het rijtje worden genoemd van de tekenen. Is dit een definitie van alle tongen of een functie ervan naast de gebedstaal?

Nu lijkt me dat ’onverstaanbaar’ in 1Ko14 betekent dat niemand in de aanwezigheid van de tongenspreker deze taal verstond. Dit zegt niets over welke soort taal er dan is bedoeld, alleen dat de aanwezigen het niet verstaan. De gesproken taal had een teken-functie voor de ongelovigen, de gelovigen verstonden het niet. Deze ongelovigen zijn ongelovige Joden zoals we kunnen opmaken uit Paulus’ citaat uit Js28 (1Ko14:21). De ongelovige heidenen hadden er ook niets aan, zie 1Ko14:23. Voor de Jood was de taal een teken dat Gods Geest ook op heidenen was uitgestort! In Hd2 horen Joden ineens dat God wordt grootgemaakt in de taal van hun geboorteland. De Joden waren verspreid onder de heidenen dus voor het eerst wordt God grootgemaakt, niet in de Hebreeuwse taal, maar in een heidense taal! Dit was een unieke situatie waarmee God aangaf dat het evangelie naar de heidenen zou gaan. In de gemeente van Korinthe sprak men in buitenlandse talen. Voor de ongelovige heiden moest er uitleg zijn, anders werd hij niet opgebouwd.

Paulus brengt een correctie aan op de situatie in Korinthe. Dit moeten we goed voor ogen houden. Het is geen voorschrift van hoe een gemeente zou moeten functioneren, maar een rechtzetten van een kromme praktijk.

Andere, op het 1e gezicht tegenstrijdige uitspraken:

‘Wie in een taal spreekt, spreekt niet voor mensen, maar voor God (1Ko14:2)’, terwijl in Hd2 het wel voor mensen is! Of moeten we concluderen dat in Hd2 ook werd gesproken voor God, maar dat mensen het wel konden verstaan? Dat lijkt me juist. De discipelen spraken ‘over de grote daden van God (Hd2:11). Het spreken in tongen is altijd voor God (zie ook ‘God grootmaken’ in Hd10:26). In de gemeente moet alle uiting opbouwend zijn, dus als men in een nieuwe taal spreekt (tot God, voor de gemeente), moet het uitgelegd worden (zie verderop).

‘Wie in een taal spreekt, bouwt zichzelf op (1Ko14:3)’, terwijl in Hd2 sommigen in de menigte werden aangesproken. Het hele punt met 1Ko14 is m.i. dat Paulus alleen bestrijdt dat er mensen waren die tongentaal gebruikten voor zichzelf, zonder de intentie de anderen op te bouwen. Als er uitleg is, was het wel toegestaan. In Hd2 was die niet nodig, want allen verstonden het. Dat er een tongentaal zou zijn die ons geestelijk zou opbouwen, staat niet in deze tekst en vindt verder geen enkele grond in de Bijbel. Daarbij komt dat alle gaven bedoeld zijn tot stichting van de gemeente. kijk eens naar de context van 1Ko14:

 (1) 12:7 ‘… aan ieder wordt de openbaring van de Geest gegeven tot wat nuttig is’.

 (2) 12:25 ‘… maar de leden voor elkaar gelijke zorg dragen’.

 (3) 14:3 ‘… wie profeteert, spreekt voor mensen tot opbouwing, vermaning en vertroosting’.

 (4) 14:4 ‘… wie profeteert, bouwt de gemeente op’.

 (5) 14:5 ‘… opdat de gemeente opbouwing ontvangt’.

 (6) 14:6 ‘… welk nut zal ik u doen?’

 (7) 14:7 ‘… hoe zal men weten …?’

 (8) 14:8 ‘… wie zal zich gereedmaken?’

 (9) 14:9 ‘… hoe zal men weten …?’

 (10) 14:12 ‘… tot de opbouwing van de gemeente’.

 (11) 14:16 ‘… hoe zal hij … de onkundige … amen zeggen?’

 (12) 14:16 ‘… Hij weet immers niet wat u zegt?’

 (13) 14:17 ‘… de ander wordt niet opgebouwd’.

 (14) 14:19 ‘… om ook anderen te onderwijzen’.

 (15) 14:26 ‘… laat alles gebeuren tot opbouwing (van de anderen)’.

 (16) 14:31 ‘… opdat allen leren’.

 (17) 14:31 ‘… en allen vertroost worden’.

 (18) Hoofdstuk 13 in zijn geheel heeft het over de liefde, die op uitzonderlijke wijze een vrucht is voor anderen. Een boom draagt immers geen vruchten voor zichzelf.

Alleen al daarom is de bewering dat de tongentaal jezelf opbouwt ongegrond. Paulus bedoelt met deze opmerking dat het een averechts effect had in Korinthe. Bouwt het de ander niet op, dan alleen jezelf en dan mist de gave het doel. 

‘De talen zijn dus tot een teken, niet voor de gelovigen, maar voor de ongelovigen (1Ko14:22)’, terwijl hij er meteen achteraan zegt dat als er dan een ongelovige binnenkomt en iedereen in talen spreekt, deze zou ‘afhaken’ omdat hij wartaal hoort. Mijns inziens is de uitleg niet al te moeilijk. God gebruikte de (heidense) talen om tot zijn eigen volk te spreken (Hd2), zoals aangekondigd in Js, maar zo, dat ze ondanks dat, niet zouden luisteren (1Ko14:21). Nu heeft de massa van de joodse luisteraars ook het evangelie afgewezen. Een ‘teken’ betekent een ‘oordeelsteken.’ Paulus redeneert dan: Het verschijnsel tongen is voor de ongelovigen ten teken, dus met gelovigen heeft dit weinig van doen, als het om de stichting gaat! Hij gebruikt dus het citaat uit Js28 om zijn redenering kracht bij te zetten dat uitingen in een tong niet primair voor gelovigen is bedoeld. Profetie wel, daarom moet een gemeente er naar streven hierin uit te blinken. Hierboven heb ik al uitgelegd dat de ongelovige heiden die een onuitgelegde taal hoorde, dacht dat de gemeente in wartaal sprak. 

Het is overduidelijk dat de tongentaal hoort in het rijtje van de gaven van genade (genadegaven: charismata) uit 1Ko12:8-10. Alleen al daarom wijs ik standpunt EC af. Bovendien, als tongentaal zou zijn ‘afgedaan’, waarom staat 1 Ko14 dan in onze Bijbel? Hoeven we simpelweg geen lering meer te trekken uit het (juiste) gebruik van tongentaal omdat het nu niet meer voorkomt? Ik geloof daar niets van. God is soeverein om uit te delen hoe en wanneer Hij wil. Bovendien zouden alle gelovigen die zeggen in tongen te spreken allemaal misleid zijn?

Een beroep op 1Ko13:10 over ‘het volmaakte’ snijdt m.i. helemaal geen hout, omdat het daar (en dat ziet toch wel iedere eenvoudige lezer lijkt me) gaat over de toestand van na de wederkomst. DAN zullen gaven teniet gedaan worden, eerder niet (zie mijn opmerkingen hierover onderaan het artikel ‘gaven van de Geest’). Dat ‘talen’ niet staat in vers 9 en dat dit ‘dus’ betekent dat talen voor onze tijd zouden zijn opgehouden, vind ik een typische vorm van inlegkunde. Paulus beschrijft wat ‘ten dele’ is. Nu is profetie gebrekkig en kennis ook, maar van tongentaal kun je dat eenvoudig niet zeggen, omdat deze gave van de Geest inhoudelijk niet te vergelijken is met de andere twee. Tongentaal is aanbidding in een andere taal, daarover kun je niet zeggen dat het ‘ten dele’ is.

Dat de tongentaal een gave van genade (charismata) is, bewijst 1Ko12:10. Ik concludeer uit deze tekst dat deze gave voor het lichaam van Christus is bestemd voor vandaag. ‘Maar al deze dingen werkt één en dezelfde Geest, die aan ieder afzonderlijk toedeelt zoals hij dat wil (1Ko12:11).’ Het lijkt me evident dat dit principe nog steeds van toepassing is. Het is een genadegave aan de gemeente. In dit opzicht wijs ik standpunt EP ook af omdat jonge kinderen m.i. nog niet bij het lichaam van Christus kunnen horen. Bovendien geloof ik ook niet dat je ‘het kunt oefenen.’ De Geest deelt het toe aan wie Hij wil. Dit moeten we overigens ook weer niet te mechanisch beschouwen, omdat bijvoorbeeld profetie wel moest worden beoordeeld (1Ko14:29), het was dus niet volmaakt. Profetie kun je ook niet oefenen, terwijl je wel kunt oefenen in het spreken zelf. Dat er profetie in je spreken ligt, bepaalt de Geest. ‘Spreken soms allen in talen (1Ko12:30)?’ kun je lezen als met het antwoord: ‘Nee, maar een paar mensen spreken in talen.’

Je kunt het ook lezen als: ‘Nee, allen hebben ook andere genadegaven tot hun beschikking dan alleen talen.’ Deze laatste mogelijkheid lijkt lastig omdat je moeilijk kunt zeggen dat allen apostelen zijn plus nog wat anders (12:29). Niet allen spreken dus in talen, maar diegenen aan wie God (de Geest) deze genadegave schenkt. Dit neigt naar standpunt GC (Tenzij 12:30 gaat over een bediening van talenspreken wat me niet zo logisch lijkt; wat zou zo’n bediening moeten inhouden?). Ik zou me echter ook prima kunnen vinden in GP, maar dat ligt heel erg aan de uitleg van 1Ko12. Zijn alle charismata beschikbaar voor iedere gelovige (ja, zegt de opsomming van vs. 8-10 ‘de een’; ‘een volgende’ etc.); nee, zegt slot vanaf 12:29 en het betoog over ieder die een plek heeft in het lichaam)? 

Een volgend punt is nog belangrijk: sommige gaven functioneerden als teken. Dit gold ook voor de genadegaven van genezing. Mk16:17 zegt dat zowel genezingen als talen een teken zijn. Zie mijn artikel over tekenen en wonderen.

Zowel in 1Ko14:2 als in Hd2:4 wordt duidelijk gezegd dat het spreken in tongen ‘door de Geest’ is. In 1Ko14:2 zou je kunnen vertalen ‘in de geest’ met een kleine letter, dus in onze eigen geest. Het hele punt van 1Ko14 is dat Paulus geen definitie geeft van tongentaal, maar dat hij beperkingen aangeeft in die gemeente omdat men ‘dweepte’ met de gave van tongentaal. ‘Je mag in tongen spreken in de samenkomst, maar dan volgens deze regels.’ Vergeet niet dat hij wel wilde dat ze allen in tongen spraken (1Ko14:5). In de samenkomst echter, moet men zich richten op opbouwende uitingen door de Geest. Een tongenspreker zonder uitleg ‘bouwt zichzelf op.’ Paulus brengt de belangrijkheid van de talen tot een minimum, zodat men zich weer kon richten op de belangrijkste gaven (1Ko14:1).

‘Verhindert het spreken in talen niet’ zegt hij in vs. 39. Dus; er zijn wel beperkingen, als het gaat om de samenkomst, maar sla ook niet door en verbiedt het spreken in tongen in het algemeen. De gemeente in Korinthe streefde juist naar geestelijke uitingen (1Ko14:12)! Hun probleem was dat ze de juiste uiting op de verkeerde plek gaven. Ze moesten nog leren ‘overvloedig te zijn in de opbouwing van de gemeente (vs.12).’ Ze baden in andere talen (vs.14), ze zongen in andere talen (vs.15). Geen probleem, zegt Paulus, maar het verstand van de aanwezigen mag niet onvruchtbaar blijven. Het moet alles tot stichting zijn. Het hele punt is nu dat die uitingen niet verkeerd zijn, maar wel als ze op de verkeerde plek plaatsvinden (of op de verkeerde manier; zonder uitleg); de samenkomst. DAN moet er uitleg zijn, anders kunnen anderen geen ‘amen’ zeggen op de uitingen (vs.16).

Paulus sprak ‘meer dan u allen in talen (vs.18)’, maar in de gemeente liever een stichtelijke uiting (vs.19). Bedoelt hij daar dat hij dit nodig had in zijn gebedsleven of als getuige van Christus tijdens zijn zendingsreizen? Buiten de gemeente is bidden, zingen en spreken in talen/tongen geen enkel probleem. Het is immers een tekengave voor de ongelovige Jood! (Naast deze functie is het bekend in de levens van sommige trouwe christenen dat het ook een opbouwende functie heeft voor het persoonlijke geestelijke leven, maar dat heb ik zelf nooit zo ervaren dus daar kan ik nog niet zoveel over zeggen.) Binnen de gemeente ook niet, als er maar wel uitleg is (vs.5). Voor een ‘privégebruik’ van de gave van het spreken in talen ontbreekt in de Schrift m.i. ten enen male ieder bewijs. Het is altijd een teken voor ongelovigen. Let ook op dat Jezus zelf het een teken noemt in Mc16:17 ‘Deze tekenen zullen de gelovigen volgen’. Hij noemt het spreken in talen als één van de vijf tekenen die hij daar opsomt. Ook hier dus weer is het spreken in vreemde talen een teken. Of er, nogmaals, naast deze functie nog een andere functie is van de tongentaal, daar zijn de meningen dus over verdeeld. 

Het spreken in talen/tongen is dus in zowel Handelingen als in 1 Korintiërs het grootmaken van God in een niet geleerde taal (ik laat hier in het midden of er ook zoiets is als een engelentaal, want daarvoor ontbreekt het Bijbelse bewijs ondanks 1Ko13:1). Dat dit grootmaken van God in de andere taal krachtig is en een gevolg van de vervulling met de Geest, toont Hd op bepaalde plaatsen aan, hoewel niet iedereen in talen begon te spreken die werd vervuld met de Geest. Dit grootmaken gebeurt ‘door de Geest’, maar is wel in controle van de spreker (zie 1Ko14:27 ‘ieder op zijn beurt’). Er is dus geen sprake van een opwelling van binnenuit die niet te controleren is. Dat mensen dit wel ervaren gaat dus in tegen de Schrift!

Men spreekt ook wel over tongentaal als geestelijk wapen. Demonen zouden er een hekel aan hebben. Dat dit grootmaken van God in talen/tongen krachtig de bevrijdingsbediening ondersteunt, is vanuit de Schrift niet te bewijzen. Ze spreekt in dit verband er niet over, hoewel sommigen zeer creatief zijn in het toch willen bewijzen dat tongentaal in de geestelijke strijd zo belangrijk is. Men komt met allerlei teksten die spreken over het bidden in de Geest, maar daar is geen enkele sprake van tongentaal tenzij je het er in wilt lezen. De drie teksten waar men altijd weer naar verwijst vinden we in:

1. Romeinen 8:26 waar we lezen dat de Geest voor ons pleit met onuitsprekelijke verzuchtingen. Hier staat ‘voor’ en niet ‘door’, een groot verschil. Niets in dit gedeelte wijst op geestelijke strijd met boze machten, maar over ons zuchten in een schepping die vruchteloos is geworden. Er is dus weinig tot geen ruimte om hier een bidden van de Geest door ons heen in te zien.

2. Efeziërs 6:18 waar Paulus de lezers oproept voor hem te bidden in de Geest. Men leest hier graag de tongentaal in, maar ‘bidden’ in de Geest is een geestelijk bidden, naar Gods wil en in Zijn kracht. Paulus spreekt hier over de ondersteuning voor zijn evangelieverkondiging. Dat was zeker een strijd (zie Ko2:1), maar niet de strijd die sommigen erin willen zien, namelijk in de bevrijdingsbediening.

3. Judas:20 Ook hier staat weer ‘bidden in de Heilige Geest’. Zie punt 2. Geen sprake van geestelijke strijd in dit vers.

We moeten niet ongezond staan tegenover ervaringen. Ze mogen uiteraard niet heersen over de Schrift, maar ze geven wel vaak aan dat onze interpretatie van de Schrift niet blijkt te kloppen. 

Is er veel nep op dit gebied? Ja, ongetwijfeld. Betekent dat dan dat we deze hele genadegave moeten wantrouwen? Nee, immers, hoeveel vleselijke profetie is er wel niet? Hoeveel vleselijke wijsheid? En kennis? En geloof? Zo is het ook met deze gave. We moeten blijven streven naar de hoogste gaven (1Ko12:31) in plaats van door negatieve ervaringen het kind helemaal met het badwater weg te gooien. Op het gebied van de tongentaal wil ik wel pleiten voor voorzichtigheid gezien het voorgaande. De Schrift spreekt er niet over op een manier zoals we dit juist vandaag de dag wel veel zien gebeuren…Aan de andere kant wil ik ook niet te negatief zijn gezien de vele getuigenissen van betrouwbare gelovigen hoewel ik vanuit de Bijbel weinig tot geen bewijs kan vinden voor de tongentaal zoals die vandaag veel wordt gebruikt, een onverstaanbaar gebrabbel dat de persoon zelf zou opbouwen. 

Dat er een authentieke, door God gegeven ‘taal’ is die oprechte christenen opbouwt, wil ik ook niet uitsluiten. Ik ben er dus nog niet helemaal uit. De bovenstaande principes acht ik waardevol waardoor ik neig naar een bepaalde visie, maar er is wellicht meer dan ik kan overzien, dus laat ik dat over aan God. Concluderend kan ik zeggen dat er een aantal belangrijke principes uit de Bijbel te halen zijn, maar dat er een mogelijkheid kan zijn dat er toch meer aan de hand is dan alleen maar een taal van toen. Op grond van intensieve Bijbelstudie betwijfel ik dat ten zeerste. Laten we de Heer vragen om wijsheid en uitleg over dit lastige punt. We willen niet veroordelen, maar toch ook eerlijk onderzoeken. Daarom wil ik niet te stellig zijn, laat ieder het voor het aangezicht van de Heer oprecht onderzoeken.