Er is waarschijnlijk geen onderwerp dat voor grotere verwarring heeft gezorgd dan ‘de gaven van de Geest’ of beter vertaald ‘de genadegaven van genade’. Ik acht het daarom nuttig om hier een apart artikel aan te wijden en deze thematiek nog eens grondig uiteen te zetten. Om te beginnen is het erg belangrijk ons te beseffen dat Paulus de Korinthiërs in deze hoofdstukken van zijn eerste brief corrigeert. Hij schrijft niet, zoals aan de Romeinen, de Filippenzen of de Efeziërs een brief met daarin leerstellig onderwijs of vermaningen wat betreft het leven met de Heer. De situatie in Korinthe had hem genoodzaakt om o.a. deze thematiek van de gaven van genade op deze specifieke, corrigerende manier te benaderen.

Wat nu de geestelijke uitingen betreft, broeders, wil ik niet dat u onwetend bent. 1Kor12:1

De gemeente in Korinthe was vleselijk (1Kor3:1-3). Er waren scheuringen en twisten onder hen (1Kor1:10-11) en ze hadden hun plaats in de wereld genomen in plaats van ervan gescheiden te blijven (1Kor4:8). Een man die met de vrouw van zijn vader hoererij bedreef, werd ongemoeid gelaten (1Kor5:1). Ze sleepten elkaar voor aardse rechters (1Kor6:1), bezochten tempelprostituees (1Kor6:15-16), stuurden hun vrouwen of mannen weg (1Kor7:10-11), zaten aan in afgodstempels (1Kor10:14,21) en maakten een schande van het avondmaal door er een schransmaaltijd van te maken (1Kor11:21-22). Ondanks al deze vreselijke praktijken ontbrak het hen aan geen enkele genadegave (1Kor1:4). Het aanwezig zijn van genadegaven zegt dus helemaal niets over de geestelijke toestand van een gemeente! Doordat ze zo vleselijk waren en opgeblazen (1Kor4:6,18), vol van zichzelf, moest Paulus hun praktijk van de geestelijke uitingen corrigeren want ze waren hier onwetend in. Hij wilde graag dat zij ‘geen kleine kinderen’ in hun overleggingen waren, maar ‘volwassen’ (1Kor14:20) want dat waren ze absoluut niet. Dat wat namelijk uiterlijk was en hen aanzien gaf, waren bij hen de belangrijkste gaven (gaven van genezing, profetie), waarvan talen op nummer 1 stond. Vandaar dat Paulus ook dit als eerste noemt in 1Kor13:1:

Als ik in de talen van de mensen en van de engelen spreek, maar ik had geen liefde, dan ben ik klinkend koper of een schelle cimbaal geworden. 

Zodra hij een aantal voorbeelden noemt van de genadegaven noemt hij juist de talen als laatste (1Kor12:10). Hij wil via de hoofdstukken 12-14 duidelijk de volgorde van belangrijkheid corrigeren die deze genadegaven in de ogen van de vleselijke Korinthiërs hadden. Hij begint dan door de essentie te noemen van wat de Heilige Geest, de uitdeler van de genadegaven, wil doen in de gemeente en dat is ‘Jezus is Heer’ (1Kor12:3). De Geest die alle genadegaven uitdeelt aan een ieder afzonderlijk ‘zoals Hij wil’ (1Kor12:11) is gekomen om de gemeente te leiden in de volle waarheid (Joh16:13) en dat is de kennis van de Zoon van God (Ef4:13). Iedere genadegave is dus bedoeld om de gemeente op te bouwen ’tot wat nuttig is’ (1Kor12:7). ‘Laat alles gebeuren tot opbouwing’ (1Kor14:26).

Zo ook u, omdat u streeft naar geestelijke gaven, tracht overvloedig te zijn tot de opbouwing van de gemeente. 1Kor14:12

Het ‘streven’ van de Korinthiërs naar de geestelijke gaven was echter niet vanuit de liefde tot de Heer Jezus en tot elkaar, maar was tot het verhogen van zichzelf. Hier treedt Paulus tegen op. De talen waren het spreken in andere (bestaande) talen (in de tijd dat het Jodendom nog niet formeel aan de kant was gezet in het jaar 70), niet voor mens maar voor God (1Kor14:2), terwijl men ‘over de grote daden van God’ sprak (Hand2:11) die Hij immers op het kruis in Zijn Zoon had getoond en waar de honderdtwintig gelovigen vol van waren. Als de uitleggers van de talen (1Kor12:10) deze grote daden van God in begrijpelijke en verstaanbare taal in de gemeente overbrachten, werd de gemeente opgebouwd in de kennis van de Heer Jezus. Maar als er geen uitlegger was, moest men zwijgen want het zou slechts zichzelf i.p.v. de gemeente opbouwen (1Kor14:4,5,13). Paulus sprak veel over deze grote daden van God in vele talen en dialecten die het verspreide Joodse volk machtig was, maar in de gemeente sprak hij liever vijf woorden met zijn verstand zodat de anderen werden versterkt (Hand15:32; 18:23) en opgebouwd in Christus Jezus. Hij wilde wel dat de hele gemeente de grote daden van God zou verkondigen in de talen van de Joden (1Kor14:21-22), maar in de gemeente was dit van geen nut omdat het de ander niet zou opbouwen op zijn ‘allerheiligst geloof’ (Judas vers 20). Dit is de reden dat hij schrijft:

Streeft echter naar de grootste genadegaven. 1Kor12:31

Jaagt naar de liefde en streeft naar de geestelijke uitingen, maar vooral dat u mag profeteren. 1Kor14:1

In hoofdstuk 13 wijst Paulus hen de uitnemende weg van de liefde, dat is, tot de Heer Jezus Christus. Want de liefde tot Hem zal ervoor zorgen het verlangen groeit dat de ander wordt opgebouwd in Hem. Als wij gaan zien hoe geweldig groot zijn heerlijkheid is, dan gunnen wij dat de hele gemeente. ‘De liefde vergaat nooit; maar hetzij profetieën, zij zullen te niet gedaan worden, hetzij talen, zij zullen ophouden; hetzij kennis, zij zal te niet gedaan worden’, 1Kor13:8. Zowel profetieën (in de tijd van de Korinthiërs nog nieuwe openbaringen aangezien het woord van God nog niet compleet was), als talen, als kennis zijn in onze tijd, voordat we Hem van aangezicht tot aangezicht zullen zien (1Kor13:12), allemaal door de Geest gegeven tijdelijke middelen om elkaar meer van de Heer Jezus te laten houden. Maar de liefde zal nooit vergaan want die zal straks als we bij Hem zijn, heerlijk vervuld worden in het zien van de Heer. Nu, in de gemeente, wil Paulus dat wij elkaar in deze liefde tot de Heer stimuleren en opbouwen.

Maar wie profeteert, spreekt voor mensen tot opbouwing, vermaning en vertroosting. 1Kor14:3

Paulus schrijft aan de Korinthiërs: ‘Wie roemt, laat hij roemen in de Heer’ (1Kor1:31) en ‘laat daarom niemand in mensen roemen’ (1Kor3:21). Dit was het probleem dat Paulus corrigeert in zijn brief. Zij roemden in zichzelf en niet in de Heer, dat wat het doel is van de genadegaven. Want hoewel de Geest uitdeelt, zijn de gelovigen verantwoordelijk voor de uitoefening van de gaven. Volwassen gelovigen zullen daarom de hen gegeven gaven gebruiken om de ander meer op de Heer Jezus te wijzen. We zien dit prachtig geschetst in de geschiedenis van Barnabas in Antiochië. Hij, de ‘zoon van de vertroosting’ (Hand4:36), die zelf profeet was (Hand13:1), vermaant de gemeente ‘met het voornemen van hun hart bij de Heer te blijven’ (Hand11:23). Hij bouwt de gemeente op door de spreken over de Heer Jezus opdat hun harten de liefde tot Hem zouden versterken. Later spreekt hij samen met Paulus met vrijmoedigheid ‘over de Heer’ (Hand14:3). Zo zijn alle genadegaven gegeven door de Heilige Geest en bedoeld om de Heer Jezus voor te stellen aan de ander opdat de liefde tot Hem en tot elkaar groeit, totdat Hij komt en Hij de ‘vrucht van de gerechtigheid’ (Fil1:10) in ons mag aantreffen die door Hemzelf is, tot eer en heerlijkheid van God.