Nadat ik had gesproken over de gevaren van de Pinksterleer afgelopen maand (oktober 2022) en deze lezing op YouTube verscheen, waren de reacties niet van de lucht. Onder de vele bemoedigende comments van betrokken broeders en zusters waren er ook vele negatieve die hardnekkig de gedachte blijven verdedigen dat wij als gelovigen de ‘gave van genezing’ nét zo moeten beoefenen als in de begintijd van de gemeente. Naast de ongemene felheid van deze reacties (die eigenlijk de geest openbaren van dergelijke personen) blijkt wel dat dit onderwerp enorme verdeeldheid met zich meebrengt. Ik had hier eerder al over geschreven, maar voel me toch genoodzaakt iets dieper in te gaan op deze kwestie om de kostbare waarheid van de heerlijkheid van onze Heer Jezus en de daaraan verbonden verborgenheid nog eens toe te lichten.

We leven in de laatste dagen vlak voor de komst van de Heer Jezus. De misleidende geesten zullen zich dan ook steeds steviger manifesteren zoals we ook zien in deze kwestie. Ik werd beschuldigd van ‘oordelen’, een vertegenwoordiger te zijn van een ‘religieus christendom’ en van iemand die met ‘de letter doodt’. Naast het feit dat de apostelen ook namen noemen van personen waarvoor gewaarschuwd moest worden (denk aan Fygelus, Hermógenus, Hymenéus, Filétus, Jannes, Jambres, Alexander de kopersmid (2Tim1:16; 2:17; 3:7; 4:14) en Diotrefes (3Joh:9), waar Paulus zelfs van Alexander zegt: ‘Wacht ook jij je voor hem‘) blijkt wel dat de geestelijke kenmerken van onze huidige tijd niet worden onderscheiden. Zo gretig als men naar het boek Handelingen verwijst om te ‘bewijzen’ dat wij nog steeds deze wonderen tekenen in ons midden zouden moeten zien, zo weinig ziet men dat de huidige gemeente van God niet meer ‘één van hart en ziel’ is (Hand4:32), verre van dat zelfs. De gemeente is in een diep verval terecht gekomen en hopeloos verdeeld geraakt in talloze stromingen, sekten en scheuringen. Een dergelijk vervallen getuigenis zou God dan ‘aanbevelen’ met tekenen en wonderen? De lezer oordeelt zelf.

De ‘gaven van genezing’ (1Ko12:9, meervoud, dus niet ‘de gave van genezing’) worden alleen genoemd in de eerste brief aan de Korinthiërs. Vanuit het boek Handelingen zien we deze gaven vooral uitgeoefend worden door de apostelen (Hand2:43; 5:12; 14:3). Bijzondere dienstknechten als Stefanus (Hand6:8), Filippus (Hand8:12) en Barnabas (Hand14:3) worden ook genoemd, maar verder in alle ontstane gemeenten zien we nergens dat de overige gelovigen deze gaven uitoefenden. Dat moet ons toch wat te zeggen hebben! Bovendien genazen zij uitsluitend de ongelovigen. Vrijwel nergens worden de gaven van genezingen toegepast op hen die tot de gemeente behoren (de enige uitzondering is waarschijnlijk Hand9:32-34 in het geval van Aeneas). De opwekking uit de doden van zowel Dorkas (Hand9:40) als Eutychus (Hand20:10-12) laat zien dat dit uit de doden terugbrengen juist alleen voor gelovigen is. Ongelovigen worden nooit uit de doden opgewekt, zij krijgen na de dood geen tweede kans! De Korinthiërs die ‘opgeblazen’ waren (1Kor4:18; 5:2) en ‘verzadigd’ en ‘rijk’ in deze tegenwoordige boze eeuw leefden (1Kor4:8) waren ‘vleselijk’ (1Kor3:1-3) en met hun eigen belangen bezig. Zij dachten dat deze ‘gaven van genezingen’ (en ook de overige tekengaven zoals talen) daar wel heel goed in pasten, want dat zou mooi de aandacht op henzelf richten. Paulus corrigeert deze gedachte en beveelt juist die gaven aan die tot opbouw zijn van de gemeente. Niet ik, maar de ander is namelijk het doel.

Jaagt naar de liefde en streeft naar de geestelijke uitingen, maar vooral dat u mag profeteren. (…) Maar wie profeteert, spreekt voor mensen tot opbouwing, vermaning en vertroosting. (…) Zo ook u, omdat u streeft naar geestelijke gaven, tracht overvloedig te zijn tot de opbouw van de gemeente. 1Kor14:1,3 en 12

Paulus vraagt hen: ‘Zijn soms allen apostelen’ (1Kor12:29)? De apostelen en profeten legden het fundament van de gemeente (Ef2:20). God bevestigde hun boodschap door de tekenen die daarop volgden (Mark16:20). Alle zieken genazen op wie zij de handen legden, geen één uitgezonderd (zie Hand5:16, 19:12). Op zieken zullen zij de handen leggen en zij zullen beter worden (Mark16:18). Dit in triest contrast met de povere pogingen van de mens om in zogenaamde ‘genezingsdiensten’ (waar vinden we dergelijke diensten in het Nieuwe Testament?) dit na te bootsen waar nauwelijks iemand werkelijk wordt genezen. Over ‘slangen opnemen’ of ‘iets dodelijks drinken’ (Mark16:18) hoor je nooit iemand. Het gaat altijd weer over genezing en/of ’tongentaal’. Hoe komt dit? Het is de focus op het hier en nu, op het lichaam en niet op wat werkelijk belangrijk is, namelijk ‘Christus in ons, de hoop van de heerlijkheid’ (Kol1:27).

Laten we eens kijken naar Paulus. God deed ‘buitengewone krachten’ door zijn handen in Efeze, daar waar het christendom werd geïntroduceerd (Hand19:11). Toen daar eenmaal een gemeente was gevestigd schrijft Paulus een brief aan hen waarin hij met geen woord meer rept over tekenen en wonderen. Alles wat hij schrijft is gericht op de morele kant van het leven met God, de vrucht van de Geest, het leven van Jezus in de gelovigen. Dit omdat deze gemeente geestelijk volwassen was, in tegenstelling tot die in Korinthe (zie Ef1:15). En hoe verging het hem zelf? Hij die deze gaven (meervoud, dus niet een permanent aanwezig vermogen) van genezingen had gebruikt, had zelf een ‘doorn voor het vlees’, een lichamelijke kwelling (2Kor12:7). Hij was overal met vrees en beven, in zwakheid (1Kor2:4), in alles verdrukt, in zorg (2Kor4:8; 11:28). Hij werd gezien als zwak in zijn persoonlijk optreden en ‘verachtelijk in zijn spreken’ (2Kor10:10). Hij was in lichamelijke zwakheid, ziekte bij de Galaten (Gal4:14), hij was in grote zorg over een broeder die bijna stierf aan zijn ziekte in zijn nabijheid (Fil2:27), hij kon Timotheüs niet genezen, slechts adviseren in diens vele fysieke klachten (1Tim5:23). Trofimus kon hij ook niet genezen maar deze werd door hem ziek achtergelaten in Milete (2Tim4:20). Onder de Korinthiërs zelf waren er niet weinig ziek (zie 1Kor11:30).

Paulus wist dat er een schat was in zijn sterfelijke lichaam. Dit lichaam noemt hij een ‘aarden vat’ (2Kor4:7). Hij noemt het lichaam ‘dood vanwege de zonde’ (Rom8:10). Zijn focus was niet meer op het lichaam, dat de merktekens van Jezus in zich had (Gal6:17). Maar in zijn hart kende hij een heerlijkheid die hem volkomen beheerste. Het was de kennis van God in het aangezicht van Jezus Christus die hem in een heerlijkheid had gebracht die hij op weg naar Damascus had gezien, een ‘licht uit de hemel’ (Hand9:4). Alle lichamelijke gebreken, klachten en ziekten die Paulus kende brachten hem onder een discipline om nog meer zich bezig te houden met deze hemelse heerlijkheid van de Zoon van God. Dit is de verborgenheid, dat wij in Christus zijn en Hij in ons. Paulus kende een ‘uitermate uitnemend, eeuwig gewicht van heerlijkheid’ (2Kor4:17). Deze ‘prijs van de bovenwaartse roeping in Christus Jezus’ was zijn enige doel (Fil3:14) en niet een gezond lichaam. Over deze hemelse dingen hoor je de aanhangers van de tekenen en wonderen zelden of nooit spreken. Maar Paulus was er vol van, werd er volkomen door beheerst. Sterker nog, hij kon door de genade van God zeggen:

Daarom heb ik een welgevallen in zwakheden (hetzelfde woord dat wordt vertaald met ‘ziekte’ in Mat10:8), in smaadheden, in noden, in vervolgingen en benauwdheden voor Christus; want wanneer ik zwak ben, ben ik sterk. 2Kor12:10

Voor de gelovige vandaag in een vervallen getuigenis van een verdeelde gemeente, is de focus op de hemelse heerlijkheid prioriteit nummer één. In zijn grote genade geeft God hier en daar genezing op gebed als dit bijdraagt aan zijn wegen met ons om meer op Christus te lijken (Rom8:28). Hij geeft ons tevens oudsten die we kunnen roepen bij ernstige ziekte om zo te bidden en te kijken of er zonde is dat de ziekte eventueel heeft veroorzaakt (Jak5:14-16). Daar waar dit evangelie van de genade van God (Hand20:24) nog niet is gebracht in deze wereld kan God in zijn soevereine genade tekenen en wonderen geven, maar in onze Westerse wereld, waar het evangelie is verworpen, gelden andere principes. Daar is het wachten op de heerlijkheid die gaat komen, ook voor onze sterfelijke lichamen. Daarom is Christus die in ons is, de ‘hoop van de heerlijkheid’ (Kol1:27). Nu lijden, verdrukking en volharding, straks heerlijkheid. Dit zal trouwe, toegewijde broeders en zusters die ziekte kennen, bemoedigen en versterken in hun geloof.