Mij wordt nogal eens verweten de Bijbel uit te leggen door de ‘bril’ van de ‘bedelingenleer’. Deze leer, dat de HEERE God verschillende perioden (‘bedelingen’) in zijn woord beschrijft die elk eigen kenmerken heeft, is naar mijn bescheiden mening de sleutel tot het begrijpen van wat nu specifiek voor onze tijd belangrijk is. Zij die dit niet zo zien vinden deze leer een ‘bril’ waardoor ik kijk en waardoor ik niet meer ‘objectief’ de Bijbel uitleg. Mijn afwijzing van de Pinksterleer bijvoorbeeld, zou komen doordat ik door deze bril kijk en niet zie dat alle gaven vandaag net zo functioneren als in de begintijd van de gemeente. Nu kijkt uiteraard iedere serieuze uitlegger van de Bijbel door één of andere ‘bril’, want er moet een raamwerk zijn waarbinnen men de Bijbel uitlegt. Iedere uitlegger weet bijvoorbeeld wel dat wij in onze tijd niet op de nieuwe aarde wonen, die is nog toekomstig. Kijk, daar heb je dus al twee ‘bedelingen’ of tijdsperioden, die van de onvolmaakte en die van de volmaakte toestand. Beiden worden door verschillende principes gekenmerkt. Het woord ‘bedeling’ komt letterlijk voor in Ef1:10 en betekent ‘huishouding’, ‘rentmeesterschap’ (zo vertaald in Lk16:2,3; 1Ko9:17; Ef3:2,9; Ko1:25 en 1Tm1:4) en duidt op een specifieke tijdsperiode waar bepaalde geestelijke principes gelden voor God die op die periode van toepassing zijn. Laten we eens kijken wat de Bijbel nu werkelijk hierover leert en wat we daaruit kunnen concluderen.

In Lukas 16:16 lezen we:

De wet en de profeten zijn tot op Johannes; sindsdien wordt het evangelie van het koninkrijk van God verkondigd en ieder dringt er met geweld binnen.

Her staat duidelijk dat er een tijd, een ‘huishouding’ was tot aan Johannes waarin het evangelie van het koninkrijk van God nog niet werd verkondigd. Sinds zijn optreden wordt het koninkrijk van God verkondigd. Er zijn dus ook hier weer twee verschillende bedelingen, die van de wet en de profeten en die van het evangelie van het koninkrijk van God. Maar er is meer, want in Galaten 3:23-24 staat:

Maar voordat het geloof kwam, waren wij in verzekerde bewaring tot op het geloof dat geopenbaard zou worden. De wet is dus een tuchtmeester geweest tot op Christus.

Wederom kan geen serieuze Bijbellezer er onderuit: Er was een tijd voor en een tijd van het geloof. Toen Christus kwam, veranderde alles. Er was wel degelijk geloof uiteraard voor zijn komst, maar hier bedoelt Paulus ‘geloof’ in contrast met de wet. Deze wet was een ‘kinderoppasser’ (letterlijke vertaling) van de Joden tot op Christus, want vanaf toen moesten zij leren te leven uit geloof (zie ook Gal2:20) en niet meer volgens de wet. Wij zijn dan ook niet meer onder de wet, maar onder de genade (Rom6:14). Maar er veranderde nog meer met de komst van Christus.

Niemand heeft ooit God gezien; de eniggeboren Zoon die in de schoot van de Vader is, heeft Hem doen kennen. Johannes 1:18

Voordat de Heer Jezus kwam, kende niemand de Vader. Hij is als de eeuwige Zoon van de Vader uitgegaan (Joh16:28) en kon zeggen: ‘Wie mij heeft gezien, heeft de Vader gezien’ (Joh14:9). Voordat iemand Hem kon zien, kon niemand de Vader zien. Dus weer zien we dat er verschillende perioden zijn met verschillende kenmerken. Gal4:4 zegt dat toen de volheid van de tijd gekomen was, dus ook weer een specifieke tijd, God zijn Zoon uitzond. Dan gaan we verder, want na de verlossing die de Heer mogelijk heeft gemaakt op het kruis en na zijn opstanding en hemelvaart kon pas de Heilige Geest komen wonen op aarde. Er is een enorme verandering gekomen na het kruis. Voordat dit kruiswerk was volbracht woonde de Heilige Geest niet op aarde, hoewel Hij wel werkte in specifieke mensen. Er was ook, voor het kruis, geen verheerlijkte Mens in de hemel. Niemand die geloofde voordat de Heer Jezus met heerlijkheid en eer gekroond was bij zijn Vader kon met Hem zijn verbonden als zijn lichaam. Toen de Geest kwam, doopte Hij alle gelovigen tot één lichaam (1Ko12:13). Dit lichaam van Christus was er niet voordat het Hoofd verheerlijkt was.

Dit nu zei Hij van de Geest, die zij die in Hem geloven, zouden ontvangen; want de Geest was er nog niet, omdat Jezus nog niet was verheerlijkt. Johannes 7:39

Het kan niet duidelijker: De Heilige Geest was nog niet op aarde, in de gelovigen omdat Jezus nog niet was verheerlijkt. Met de verheerlijking van de Heer Jezus brak een compleet nieuwe ‘bedeling’ aan, die van ‘het geloof’ en die van het lichaam van Christus. De Bijbel leert glashelder dat dit verborgen was ten tijde van het Oude testament in Ef3:5 (‘in andere geslachten de zonen van de mensen niet bekend is gemaakt’) en Kol1:26 (‘die van alle eeuwen en geslachten verborgen is geweest’). Er was simpelweg geen verheerlijkte Heer in de hemel ten tijde van het Oude Testament! Hier betuig ik dat dit nieuwe (namelijk het geloof en leven vanuit de verheerlijkte Heer) voor het eerst werd verkondigd door de apostelen en profeten die werden begeleid door tekenen en wonderen teneinde dit nieuwe te bekrachtigen (zie ook Mark16:20 en Hebr2:4). Het fundament van dit ‘nieuwe’, de gemeente is gelegd door profeten en apostelen. De tekenen hiervoor zijn niet meer nodig. Wij leven namelijk nu in de tijd waarin het fundament lang geleden is gelegd en de gemeente verder wordt gevormd op dit fundament. Paulus zegt dat wij allen bouwen op het fundament (1Kor3:10). Maar er is nog meer, want deze tijd, die nu al tweeduizend jaar duurt, ‘het laatste uur’ (1Joh2:18), kent ook de ‘latere tijden’ (1Tim4:1), de ‘laatste dagen’ (2Tim3:1), ‘het laatst van de dagen’ (2Pet3:3). De laatste periode voor de komst van de Heer zal worden gekenmerkt door een groot verval, wat uiteindelijk zal resulteren in ‘de afval’. Als Paulus schrijft over de ‘dag van de Heer’ dan zegt hij:

Laat niemand u op enigerlei wijze bedriegen, want die komt niet als niet eerst de afval gekomen is en de mens van de zonde geopenbaard is, de zoon van het verderf. 2 Thessalonicenzen 2:3

De ‘afval’ is de grote goddeloze eindfase van het christelijk getuigenis op aarde. We leven niet meer in dezelfde tijd als in het begin van dit getuigenis, toen allen nog ‘één van hart en van ziel’ (Hand4:32) waren, dat zal iedere Bijbeluitlegger moeten beamen. Er is geen wereldwijde eenheid meer zoals in het begin in dit getuigenis vanwege de talloze scheuringen, sekten en stromingen die er zijn ontstaan. Om in de huidige fase van de christenheid, die gekenmerkt wordt door verval, God te gehoorzamen is de tweede brief aan Timotheüs en het gedeelte uit Openbaring 2 en 3 (de brieven aan de zeven gemeenten) geschreven. Niets over tekenen, wonderen, genezingen (juist ‘kleine kracht’, Op3:8) maar alles over afscheiding van het kwaad, leven in heiligheid en verwachting. Dan lezen we nog over een volgende ‘bedeling’ in de Bijbel.

Daar Hij ons de verborgenheid van zijn wil bekend heeft gemaakt, naar zijn welbehagen, dat Hij Zich had voorgenomen in Zichzelf aangaande de bedeling van de volheid der tijden, om alles wat in de hemelen en wat op de aarde is onder één hoofd samen te brengen in Christus. Efeziërs 1:9-10

We zien hier dat straks, in de volheid van de tijden er een nieuwe bedeling komt waarin Christus openlijk hoofd zal zijn over alle dingen. De tegenwoordige boze eeuw (Gal1:4) wordt gekenmerkt door de verwerping van de Zoon van God op aarde, maar zijn verheerlijking door God aan diens rechterhand (Ef1:22; Heb2:10). Straks zal de tijd komen dat God Hem de heerschappij zal geven over alle dingen. Dan zal Hij duizend jaren regeren (Op20:4). Tot die tijd is het belangrijk te leven uit het geloof, opgroeiend in de genade en kennis van onze Heer en Heiland Jezus Christus, terwijl ook wij zuchten in deze vervloekte schepping in de verwachting van de verlossing van onze lichamen (Rom8:23).

We zien dus achtereenvolgens de periode van de wet (daarvoor waren er ook nog verschillende bedelingen, maar die laat ik nu even achterwege), de periode van de komst van de Heer die de Vader heeft geopenbaard met daarin het geloof, het fundament gelegd van de gemeente, de toenemende afval, de dag van de Heer en de komst van Jezus waarna Hij duizend jaar zal regeren. Volgens de Bijbel zal Hij daarna het koninkrijk aan zijn Vader geven waarna God zal zijn ‘alles in allen’ (1Kor15:24-28, waarin ‘allen’ niet alle mensen betekent maar alle gelovigen). Als we dit woord van God niet ‘recht snijden’ (1Tim2:15), dan leven we in onze gedachten in de verkeerde ‘bedeling’, óf onder de wet, wat een ‘bediening is van de veroordeling’ (2Kor3:9) óf al in het komende koninkrijk (waar niemand meer zal zeggen ‘ik ben ziek’, Jes33:24) en we ons tevergeefs ‘uitstrekken’ naar genezingen, wonderen en tekenen. Het vasthouden aan de verschillende bedelingen is dus niet een ‘bril’ waardoor we moeten kijken naar de Bijbel, maar de ‘sleutel’ om gezond te leren opgroeien in onze Heer, door het geloof, wetende in welke tijd, ‘bedeling’ wij nu leven. Leven in de verkeerde bedeling zal leiden tot ongezonde levens en teleurstelling waarvoor we behoren te waken. De wet zal onszelf op de voorgrond zetten en onze pogingen God te behagen wat leidt tot teleurstelling in onszelf. Streven naar genezingen zal hetzelfde effect hebben aangezien dit vandaag niet meer gebeurt zoals in het begin. Laten we waakzaam zijn en de gezonde leer niet verlaten. Pas op voor een verkeerde weg. Voor het ontkennen van de bedelingen geldt hetzelfde, aangezien dit een Bijbels gegeven is, zoals ik hoop te hebben aangetoond.