Er is onder christenen veel verdeeldheid over de vraag wat we nu met de wet aan moeten. We zijn niet onder de wet zegt Rm6:14, maar aan de andere kant zegt Jezus dat Hij niet is gekomen om de wet te ontbinden, maar om haar te vervullen (Mt5:17v.). Vandaag de dag zijn er leringen die verkondigen dat wij ‘niets meer met de wet te maken hebben’. Ze zijn erg negatief over het Oude Verbond en over de wet van Mozes, alsof dat allemaal verkeerd was. Psalm 119 bezingt die wet echter uitbundig! Hoe zit het dan? Dit onderwerp is niet eenvoudig. Laat ik proberen het helder te krijgen.

Om een goede volgeling te worden van Jezus, heb je te gehoorzamen aan de wetten van het koninkrijk van Christus. Ieder verbond, of het nu het oude of het nieuwe is, kent voorwaarden. Jezus heeft het daarom diverse malen over het houden van zijn geboden:

 *Een nieuw gebod geef Ik u, dat gij elkander liefhebt; gelijk Ik u liefgehad heb, dat gij ook elkander liefhebt. Jh13:34

 *Wanneer gij Mij liefhebt, zult gij mijn geboden bewaren. Jh14:15

 *Wie mijn geboden heeft en ze bewaart, die is het, die Mij liefheeft; en wie Mij liefheeft, zal geliefd worden door mijn Vader en Ik zal hem liefhebben en Mijzelf aan hem openbaren. Jh14:21

 *Indien gij mijn geboden bewaart, zult gij in mijn liefde blijven, gelijk Ik de geboden mijns Vaders bewaard heb en blijf in zijn liefde. Jh15:10

 *Dit is mijn gebod, dat gij elkander liefhebt, gelijk Ik u heb liefgehad. Jh15:12

 In Jh14:23,24; 15:7 en 20 spreekt Jezus over ‘Mijn woorden’ wat een andere uitdrukking is voor ‘Mijn geboden’.

Jezus antwoordde en zeide tot hem: Indien iemand Mij liefheeft, zal hij mijn woord bewaren en mijn Vader zal hem liefhebben en Wij zullen tot hem komen en bij hem wonen. Jh14:23

Dit alleen al laat duidelijk zien dat het niet zo eenvoudig is, zoals sommigen zeggen: ‘Richt je blik op Jezus en de rest gaat dan vanzelf’. Nee, dan zou het Nieuwe Testament snel uitgepraat zijn en alleen dat hebben verkondigd. We hebben wel degelijk te maken met geboden. We zien dat gehoorzaamheid aan de geboden (of woorden) van Christus een voorwaarde zijn (niet om in de hemel te komen maar) tot intimiteit met de Vader en met de Zoon! De geboden van Jezus worden nergens opgesomd, omdat ze samengevat zijn in één woord: liefhebben. Dit liefhebben heeft Jezus zelf ons voorgedaan, vandaar dat Hij ook zegt in Jh15:12 dat we moeten liefhebben zoals Hij dat heeft gedaan. Om werkelijk te kunnen zien of iemand liefheeft is er een toets: hij/zij houdt zich aan de voorwaarden (geboden)! Als een man werkelijk van zijn vrouw houdt, zal hij zich houden aan de voorwaarden die bij het huwelijk horen. Als iemand werkelijk van Jezus houdt, zal hij/zij diens geboden onderhouden. Wie mijn geboden heeft en ze bewaart, die is het, die Mij liefheeft (Jh14:21). We kunnen wel zeggen dat we Hem liefhebben, maar het moet ook blijken uit het feit dat we zijn geboden gehoorzamen. 

Jezus onderhield de geboden van de Vader en liet daarmee zien dat Hij Hem werkelijk liefhad.  Maar de wereld moet weten, dat Ik de Vader liefheb en zó doe, als Mij de Vader geboden heeft (Jh14:31). Daarom spreekt Jezus, als Hij het heeft over het leven als een volgeling van Hem, ook op de volgende manier:

Niet een ieder, die tot Mij zegt: Here, Here, zal het Koninkrijk der hemelen binnengaan, maar wie doet de wil mijns Vaders, die in de hemelen is. Mt7:21

Van al die uiterlijke volgelingen van Jezus, zal blijken dat de ware liefhebbers van Jezus ook daadwerkelijk zijn geboden onderhouden. Diegenen die Hem werkelijk kennen (door genade) zijn ook diegenen die Hem navolgen. Het kost ze geen moeite omdat ze Hem liefhebben. Daarom zegt Johannes ook: Want dit is de liefde Gods, dat wij zijn geboden bewaren. En zijn geboden zijn niet zwaar…(1Jh5:3).

De nieuwe mens in Christus is gestorven en levend gemaakt om deze geboden te onderhouden. De geschreven wet geldt voor een mens zolang als deze leeft, nooit wanneer hij is gestorven. En dat is nu precies het punt. De geschreven wet en de wet in ons hart via de Heilige Geest zijn twee verschillende zaken.

Was de wet in het Oude Testament dan een verkeerd systeem dat God had ingesteld?

De wet in het Oude Testament

In het OT gaat het over de wet van Mozes, die klaarblijkelijk heel wat meer is dan een lijstje geboden. In het NT lijkt Paulus op twee manieren over de wet te spreken: heel negatief; christenen zijn van die wet ‘verlost’, maar juist ook heel positief; ze staan onder de wet van Christus (Gl6:2).

Het woord Thora betekent ‘onderwijzing’. Het kan op elke menselijke onderwijzing duiden (Sp31:26; een huisvrouw), verder op een gerechtelijke beslissing of een verordening voor een speciale situatie. Toch verwijst het vooral in het OT naar het geheel van de goddelijke verordeningen op de Sinaï. De Thora is het die Gods volk leidt, het de rechte weg wijst. In de zin van ‘Goddelijke onderwijzing’ vinden we de Thora in Psalm 1:2 waar over een mens wordt gesproken die:

Vreugde vindt in de wet van de Heer.

Evenzo in Psalm 94:12

Gelukkig de mens, Heer, die door U wordt geleid en onderwezen in uw wet en uw leer.

Als Goddelijke onderwijzing geeft de Thora Gods gedachten weer zoals deze zich openbaren aan Israël en aan alle volken. Dit zien we in Js2:3 (Vanaf de Sion klinkt zijn onderricht, vanuit Jeruzalem spreekt de Heer). Door deze Goddelijke ‘onderwijzing’ leert een mens niet alleen Gods wil, maar ook God zelf kennen. Daarom zal hij die God liefheeft, ook zijn Thora liefhebben, en omgekeerd (zie Ps119). Het is geen strenge koning die de Thora aan de mens oplegt, maar een liefhebbende vader (God), die de Thora aan zijn zoon (Israël) voorhoudt als de boom van het leven, de weg van het leven:

Mijn zoon, vergeet mijn lessen niet, houdt in je hart mijn richtlijnen vast. Sp3:1 (ook:6:20,23; 7:1v.)

Laat ieder van u dan beseffen dat de Heer, uw God, u opvoedt zoals een vader zijn kind opvoedt. Leef daarom zijn geboden na door de weg te volgen die Hij u wijst en door ontzag voor Hem te tonen. Dt8:5

In Dt4:5v. zien we dat het onderhouden van de wet, de geboden van God wijsheid zal voortbrengen.

De Mozaïsche wet bestaat uit een aantal wetten, inzettingen en verordeningen, zoals:

*Wetten voor de tempeldienst

*Wetten m.b.t. de feesten en de sabbat

*Wetten voor een rein leven in ceremonieel opzicht. Dit zijn wetten m.b.t. voedsel, besmetting, ziekten, seksueel contact etc.

*Wetten voor juridische zaken en plichten van het alledaagse leven.

In de wijdste betekenis omvat het woord Thora in het OT de gehele Pentateuch (de vijf boeken van Mozes). De Tien Geboden mogen niet geïsoleerd worden van de rest van de Pentateuch en verheven worden tot een of ander gebied van tijdloze, abstracte beginselen. Gods geboden liggen altijd ingebed in concrete gebeurtenissen, in de gang die God met zijn volk in de heilsgeschiedenis maakt. Uiteindelijk is daarmee de hele Bijbel Thora ‘onderwijzing’ van de God die zijn volk leidt van de verlossing tot de voleinding. De Thora kan niet verstaan worden buiten het kader van het verbond, binnen de nauwe betrekking die er bestaat tussen Hem die de Thora geeft en hen die onder die Thora gesteld zijn. God geeft de Thora alleen aan de zijnen.

De wet in het Nieuwe Testament

Het Griekse woord Nomos wordt vertaald met ‘wet’. Het verwijst naar dat wat iemand is ‘toebedeeld’, dat wat hem ‘past.’ Nomos is dus een regel, een norm, een standaard, iets anders dan de betekenis van het Hebreeuwse woord ‘Thora.’ Gods barmhartige onderwijzing, bedoeld voor de handhaving van de verbondsbetrekking, werd vervangen door een meer formele, juridische term, die meer lijkt te passen bij de Helleense denkwijze dan bij de joodse leefwijze. Toch associëren de NT schrijvers dit woord Nomos gewoon met Thora. Ook Thora heeft een formeel-juridische betekenis, net als de wetten die een koning voor zijn volk uitvaardigt (Ea7:26). Paulus gebruikt Nomos 119 keer in zijn Brieven, 72 keer in Rm en 32 keer bij Gl. Hij gebruikt het woord als:

*Een willekeurig principe (Rm3:27).

*Een bepaald juridisch voorschrift (Rm7:2).

*Een regel, norm of beginsel (Rm7:21-8:2).

*De Thora, de Pentateuch (Rm3:21).

*De Thora, het hele OT (Rm3:19, 1Kor14:21).

*De Thora, de wet op de Sinaï gegeven (Gl3:17,19).

*Het wetticisme (Gl2:19,3:10).

Zie Rm3:27 waar er drie betekenissen in 1 zin voorkomen:

En door welke wet (beginsel) komt dat? Door de wet die (wetticisme) eist dat u hem naleeft? Nee, door de wet (Messiaanse Thora) die eist dat u gelooft.

In het NT beschrijft het begrip ‘wet’ of ‘gebod’ niet alleen de betrekking tussen de Meester en zijn discipelen maar ook tussen de Vader en zijn kind. Zelfs de relatie tussen de vleesgeworden Zoon en de Vader werd beheerst door ‘gebod’ (Gr. entole, Jh10:18). Jezus stond dus ook onder deze wet. In beeldspraak brengt de Bijbel deze geboden als discipelen die als de Meester zijn, kinderen die hun Vader gehoorzamen, onderdanen die hun Koning onderdanig zijn, de Bruid die haar Bruidegom liefheeft en eerbiedigt, de schapen die de Herder volgen en de leden van het Lichaam die zich aan het Hoofd onderwerpen. Zo zijn er nog wel meer metaforen te vinden die uitdrukking geven aan de geboden die een relatie kenmerken.

Paulus spreekt negatief over de wet als het een bestel is waarin Israël zich nationalistisch beroemt op zijn bijzondere status als Gods verbondsvolk en zo Jezus als heiland voor de wereld (en voor zichzelf) verwerpt,

of als het een bestel wordt dat vereist dat heidengelovigen zich via de besnijdenis bij Israël aansluiten om zo te genieten van de zegeningen van het verbond,

of als het een bestel is dat door onderhouding van de wet punten voor de hemel verdient en zo mensen hun eigen behoudenis laat uitwerken, of als een bestel dat het verbondsvolk van God begrenst en mensen oproept zich hierbij aan te sluiten om behouden te worden. In al deze negatieve interpretaties noemt Paulus de wet ‘een bediening van de dood’ en ‘van veroordeling’ (2Ko3:7,9 Telos). In deze betekenis gebruikt Paulus het woord ook in 1Tm1:8v.

Wij daarentegen weten dat de wet goed is als hij op de juiste wijze gebruikt wordt (‘wettig’ wordt toegepast). We weten ook dat de wet er niet is voor de rechtvaardige, maar voor wie zich aan wet of gezag niet stoort, voor goddelozen en zondaars…

In positieve zin gebruikt Paulus het woord ‘wet’ om daarmee de eeuwige Thora aan te duiden, die in ons wordt vervuld door de Geest, de Thora van Christus, in meer geestelijk-transcedente zin. De liefde is de hoofdsom en vervulling van de wet in deze betekenis. Niet in de zin van een of ander vaag lieflijk gevoel, maar van concrete daden van liefde. Daarom spreekt de Heer Jezus wel van vele geboden, maar ook van het gebod. In het Liefdegebod wordt de hele essentie van de Thora tot uitdrukking gebracht, doordat God zelf liefde is. In Jezus heeft deze liefde van God haar volkomen gestalte gekregen, zowel in zijn liefhebbende persoon als in zijn liefdewerk. In de gelovigen krijgt deze liefde van God haar gestalte in hun onderhouding van zijn geboden. Dit is alleen mogelijk als Gods eigen liefde in hen woont.

Er is slechts één Thora; de ene, eeuwige Thora van God. Deze Thora heeft zich in verschillende ‘gestalten’ gemanifesteerd:

*De Mozaïsche Thora, de wet van Mozes

*De Messiaanse Thora, de geboden van Christus

*De Millenniale Thora in het 1000-jarige Vrederijk

Als het NT zegt dat wij ‘voor de wet gestorven zijn’ (Gl2:19), zijn wij niet gestorven voor deze ‘eeuwige’ Thora, maar voor de Mozaïsche gestalte daarvan. Dit alleen in zoverre de Mozaïsche Thora op wettische wijze beschouwt wordt als een weg tot behoudenis. Door het Schriftwoord ‘Mijn bepalingen en regels schenken leven aan wie ze volgt’ (Lv18:5;Rm10:5) verkeerd te begrijpen maakt men de Mozaïsche wet tot een middel tot behoud, terwijl alle OT gelovigen werden behouden op grond van geloof en uit genade van God.

Christenen (uit de heidenen, de Joodse gelovigen in de Messias zijn ijveraars voor de wet, zie Hd21:20) staan onder de hele Thora, maar niet onder de vele tijdgebonden voorschriften van de Mozaïsche Thora, maar onder de Thora in haar eeuwige essentie, evenals ook onder vele nieuwtestamentische voorschriften, die de uitwerking van de Messiaanse Thora vormen. Dit wordt zeer duidelijk ondersteund door o.a. Handelingen 21:25: ‘Wat echter de overige volken betreft, wij hebben hun aangeschreven, na besloten te hebben dat zij niets dergelijks moesten onderhouden (dit slaat op vers 21 waar het gaat over de gebruiken van de wet van Mozes D.J.) dan dat zij zich moesten wachten voor wat aan de afgoden is geofferd, voor het bloed, voor het verstikte en voor de hoererij’. Hier staat overduidelijk dat de gelovigen uit de volken niet de gebruiken uit de wet van Mozes moeten overnemen.

De Thora werd in zekere zin belichaamd in de persoon van Jezus Christus (als de ‘Logos’, het ‘Woord’ van God, de ‘Wijsheid’ uit Spr.8). Het houden van de Thora houdt concreet in voor christenen nu: het vertonen van Hem in ons leven. Ware gehoorzaamheid aan Gods Thora is nooit een uiterlijke zaak van wetticisme of traditionalisme, maar in wezen betekent het het uitleven van het leven van Jezus Christus dat in ons is. Dit doen we door op Hem te vertrouwen en tegelijkertijd ons in te spannen zijn geboden te onderhouden door de kracht van de heilige Geest.