Nu we in de laatste dagen leven (2Tm3:1) nemen de dwaalleringen hand over hand toe. Misschien wel de meest verschrikkelijke daarvan is de ontkenning van de Godheid van onze Heer Jezus Christus. We vinden deze o.a. bij de Jehova’s Getuigen, maar ook in ‘gewone’ gemeenten komen steeds meer mensen die deze dwaalleer aanhangen, en die dus ook de Drie-eenheid van God openlijk ontkennen (Dit zou een ‘uitvinding’ zijn van latere tijden rond de 3e eeuw). In dit artikel wil ik dan ook aantonen vanuit de Bijbel dat er geen enkele twijfel over bestaat dat Jezus Christus daarin wordt voorgesteld als de God van het Oude Testament, de eeuwige Zoon van de Vader.

Eigenlijk is één enkele tekst al voldoende. Immers, als iemand zou beweren dat er geen zwarte zwanen bestaan hoeven we maar één exemplaar te vinden om het tegendeel te bewijzen. De tekst waar ik op doel is voor geen enkele andere uitleg vatbaar en is Johannes 1:1.

In het begin was het Woord, en het Woord was bij God en het Woord was God. 

Hier staat dat het Woord (hiermee wordt de Heer Jezus bedoeld als de uitdrukking, de logos van God) allereerst bij God was. Hij is de Zoon die bij de Vader was van eeuwigheid af. Zij, hoewel één in wezen, zijn twee Personen die in gemeenschap met elkaar waren vanaf ‘het begin’ de eeuwigheid. God kan alleen liefde zijn als deze wordt gedeeld. Bovendien is God niet ‘de Vader’ geworden, maar was Hij dit van eeuwigheid af omdat de Zoon van eeuwigheid af Zoon is. ‘Vader’ en ‘Zoon’ zijn namen, geen ’titels’. Welnu, toen er nog niets was geschapen was God al liefde en deze bestond uit de gemeenschap tussen de Vader en de Zoon. We lezen dan ook dat de Zoon ‘in de schoot van de Vader is’ (niet: ‘was’, Joh.1:18). Hij zegt: ‘Ik ben van de Vader uitgegaan’, Joh.16:28, een zelfstandig uitgaan in eigen Persoon. Hij kon dus ook rustig zeggen: ‘U gelooft in God, geloof ook in Mij’ (Joh.14:1). Hij plaatst Zich hiermee op hetzelfde niveau als Jahweh voor de Joodse discipelen.

Ten tweede staat er dat het Woord dat bij God was God is. ‘Ik en de Vader zijn één’ (Joh.10:30). Dit wordt door de tegenstanders van de Drie-eenheid verdraaid en afgezwakt doordat zij er een vergelijking van maken in de zin van ‘Wij denken hetzelfde’ of ‘Ik ben de vertegenwoordiger van de Vader’. Maar dat is niet wat hier staat. Hij was bij God en Hij is God. Iedereen die deze tekst onbevangen leest kan niet tot een andere conclusie komen. Als ik zou zeggen: ‘Ik sta bij de brand en ik sta in brand’, dan weet iedereen wat ik bedoel. Als er staat: ‘Het woord was bij God en het Woord was God’ is dit even duidelijk. Het Woord is én ‘bij God’, in relatie tot Hem en het woord is God Zelf.

Er is verder een stortvloed aan andere Bijbelse bewijzen voor de Godheid van de Heer Jezus. Naast het feit dat Hij in Rom9:5 (‘De Christus, die God is over alles’) en Titus 2:13 (‘onze grote God en Heiland Jezus Christus’) direct God wordt genoemd, zijn er nog talloze andere plaatsen. Ik zal er een paar noemen. In Joh1:3 staat dat alle dingen ‘door Hem geworden’ zijn. Hij, het Woord, de Zoon, is dus de Schepper. Joh.1:3 zegt: ‘Alle dingen zijn door Hem geworden, en zonder Hem is niet één ding geworden dat geworden is’. Hetzelfde vinden we in Kol.1:15-16 waar staat: ‘Hij is het beeld van de onzichtbare God, de eerstgeborene van de hele schepping, want in Hem zijn alle dingen geschapen in de hemelen en op de aarde (…) alle dingen zijn door Hem en tot Hem geschapen’. ‘In Hem’ is in de kracht van zijn Persoon.

Volgens Heb.1:3 is Jezus de afdruk van het wezen van God ‘die alle dingen draagt door het woord van zijn kracht’. Dit kan alleen God! In vers 8 van dit hoofdstuk staat dat God tegen Hem heeft gezegd: ‘Uw troon, o God, is tot in alle eeuwigheid’, wat een citaat is uit Psalm 45. God noemt Hem dus al God in het Oude Testament! Ontkenners van de godheid van de Heer Jezus doen hun best dit woord ‘God’ (Gr. ;Theos’) te verzwakken alsof het overal ‘een hooggeplaatst persoon’ zou betekenen. Wat een dwaasheid. Zou Thomas toen hij neerviel aan de voeten van de Heer, het ‘mijn God’ ook zo hebben bedoeld (Joh.20:28)? Natuurlijk niet! Bovendien zegt Jezus dat Hij de Alpha en de Omega is in Op22:13 terwijl God dit zegt in datzelfde Bijbelboek in Op.1:8. Er kan er maar één de eerste en de laatste zijn en niet twee! De conclusie is eenvoudig: Jezus is God.

‘Het Woord is vlees geworden’ (Joh.1:14) en hier zien we het wonder van de incarnatie van de Zoon. Hij zegt tegen de Joden: ‘Eer Abraham was, ben Ik’ (Joh.8:58) waarbij Hij de uitdrukking ‘Ik Ben’ overduidelijk gebruikt (zoals vaak in dit evangelie). De Joden wilden Hem stenigen want zij wisten precies wat Hij bedoelde. Als Hij weer ‘Ik Ben’ zegt vallen zijn tegenstanders op de grond (Joh18:6). Bovendien zegt Hij tegen de Joden: ‘Als u niet gelooft dat ik het ben (dus: Ik Ben), zult u in uw zonden sterven’ (Joh.8:24), een ernstige waarschuwing voor hen die niets willen weten van zijn Godheid! Als Johannes de Doper optreedt wordt de tekst uit Jesaja 40:3 ‘Bereidt de weg van de HEERE’ (Mat.3:3) veranderd in: ‘bereidt de weg van de Heer’, hiermee doelend op de Heer Jezus. Hij is de God van het Oude testament. God heeft gesproken in (of: als) de Zoon, Heb.1:1. Johannes schrijft over Jesaja dat deze de heerlijkheid van de Zoon heeft gezien als hij Jesaja 6 citeert (Joh.12:41). En zo kan ik nog heel lang doorgaan. Het is duidelijker dan duidelijk!

De tegenstanders van de leer dat Jezus God is komen altijd weer met Bijbelteksten waaruit blijkt dat Hij ook 100% mens was. ‘De Vader is groter dan Ik’ (Joh.14:28), is een veel gebruikte tekst. Maar de moeilijkheid is niet zo groot als we bedenken dat in zijn mens-zijn de Vader groter was dan Hij uiteraard, maar tegelijk, in wezen waren zij één. Bovendien aanbidden wij de Heer Jezus, zelfs zij die Hem ontkennen als God schrijven ‘in onze liederen brengen wij Jezus, onze persoonlijke Verlosser, eer en lof toe met ons hele hart’. Hiermee gaan ze in tegen hun eigen bewering want alleen God komt aanbidding toe en zij zondigen tegen het eerste gebod (‘De Heer, uw God, zult u aanbidden en Hem alleen dienen’, Mat.4:10) als zij werkelijk vasthouden aan het feit dat Jezus niet God is maar Hem toch eer en lof toezingen. Dat komt niemand toe dan God alleen.

Er wordt door hen beweerd dat de uitdrukking ‘God de Zoon’ niet in de Bijbel voorkomt. Maar een bepaalde uitdrukking hoeft niet voor te komen om het wezen van deze waarheid toch te leren en dat doet de Bijbel (zij gebruiken ook de term ‘volwassendoop’ terwijl deze uitdrukking ook nergens voor komt). Het Woord was namelijk bij God en was God en is van de Vader uitgegaan. In die hoedanigheid noemt de Bijbel Hem de Zoon. Bovendien heeft God in het laatst tot ons gesproken ‘in de Zoon’ (Heb.1:1). God spreekt Zelf, niet meer via profeten, maar ‘in de Zoon’, dus als een goddelijk persoon en die persoon is de Zoon.

‘Niemand kent de Zoon dan de Vader’ (Mat.11:27) is een diepe waarheid die niet gezien wordt door hen. Zij blijven hameren op teksten als ‘Luister Israël, de HEERE, onze God, de HEERE is één’, (Deut.6:4) en daarmee is de kous af. Maar er is geen enkele tegenspraak in deze bewering uit Gods Woord en de leer van de Drie-eenheid (die niet is ‘ontstaan’ in het jaar 325, maar juist tijdens het concilie van Nicea werden bewaakt voor dwaling). Zo schiep God (‘Laat Ons mensen maken’, Gen.1:26 wat zeker niet God en de engelen zijn alsof die iets kunnen scheppen! Immers: ‘naar Ons beeld en Onze gelijkenis’) de mens naar Zijn beeld en gelijkenis als drie in één, lichaam, ziel en geest. Maar pas toen de Zoon van de Vader uitging in deze wereld werd de Drie- eenheid openbaar. De Heer Jezus spreekt immers over de Heilige Geest als een Persoon, ‘Wanneer Hij is gekomen’ (Joh.16:13).

Zij die deze dingen tegenspreken vertegenwoordigen de geest van de antichrist. Er staat immers geschreven:

‘Hieraan kent de Geest van God: iedere geest die Jezus Christus als in het vlees gekomen belijdt, is uit God; en iedere geest die niet Jezus als in het vlees gekomen belijdt, is niet uit God; en dit is de geest van de antichrist, waarvan u gehoord hebt dat hij komt, en hij is nu al in de wereld’. 1Joh.4:2-3

Hier staat ‘Jezus als in het vlees gekomen‘. Alleen de eeuwige Zoon kan komen in het vlees. Als mens is Hij gezonden, maar als God de Zoon is Hij gekomen, uit eigen Goddelijk initiatief. ‘Een kind is ons geboren, een Zoon is ons gegeven (Jes.9:5). God zond zijn Zoon (Gal4:4), evenals God de Geest heeft gezonden (Gal.4:6). Niemand zal ontkennen dat de Geest al de Geest was voordat Hij werd gezonden. Zo was de Zoon als de Zoon voordat Hij werd gezonden. Hij werd niet ‘Zoon’ bij zijn geboorte, Hij was het al van eeuwigheid af.

Zij die dit ontkennen zijn niet uit God, wat zij verder ook leren en beweren. Ze loochenen de Vader en de Zoon. ‘Ieder die de Zoon loochent, heeft ook de Vader niet’ (1Joh.2:23). Er staat niet ‘de Zoon van God’, maar ‘de Zoon’. In 2 Johannes vers 3 staat zelfs zo treffend: ‘Jezus Christus, de Zoon van de Vader’, duidend op hun eeuwige verbinding. Het is daarom van het allergrootste belang dat wij blijven strijden voor ‘het geloof dat eenmaal aan de heiligen is overgeleverd’ (Judas vers 3). Het fundament van dit ‘geloof’ is dat Jezus Christus God de Zoon is, vandaar ook dat Paulus na zijn bekering leerde dat deze ‘de Zoon van God is’ (Hand.9:20).

Ieder die deze waarheid ontkent is geen christen. Wij behoren ook niet met zulken om te gaan (2Joh.1:10). Ze zijn vertegenwoordigers van de antichrist, en dus van de satan, de leugenaar vanaf het begin.

Tenslotte een laatste overweging. Het hele Nieuwe Testament is gecentreerd rond Christus. Paulus verkondigde Hem (Kol.1:28) en niets anders. Hij is onze wijsheid van Godswege, gerechtigheid, heiliging en verlossing (1Kor.1:30). We worden opgeroepen om zijn heerlijkheid te aanschouwen (2Kor3:18), in Hem te wandelen, in Hem geworteld te zijn (Kol.2:6-7), in Hem op te groeien (2Pet.3:18), Hem in onze harten woning te geven (Ef.3:17), Hem als onze hoop voor ogen te houden (1Tim.1:1), door Hem God voortdurend lofoffers toe te brengen (Heb.13:15), ons in Hem te verheugen met een onuitsprekelijke vreugde (1Pet.1:8), Hem als onze eerste liefde te beschouwen (Op.2:4). Denkt u dan dat Hij die de eerste plaats in onze levens vraagt, niet tegelijk God is? Zou God toestaan een Ander deze plek te geven? Immers nee! Laat u dan niet van de wijs brengen en houdt vast aan uw Heer en Heiland, uw God!