In dit artikel wil ik gaan kijken naar het onderwerp ‘gaven van de Geest’. Er is helaas vandaag de dag meer belangstelling voor de gaven dan voor de vrucht van de Geest. Zoals zo vaak is ook dit onderwerp enorm uitgebreid en niet eenvoudig. Het is zelfs erg moeilijk het onderwijs over deze dingen goed te begrijpen. Er is over dit onderwerp dan ook veel verwarring. Ik zal proberen het zo volledig mogelijk te behandelen, maar daardoor is het wel een lang artikel geworden.

‘Gaven van de Geest’ is eigenlijk geen zuivere benaming, de Bijbel spreekt over ‘gaven van genade (charismata)’. Christus schenkt zijn gemeente uitdelingen van genade door middel van de Geest om zo elkaar op te bouwen. Dit elkaar opbouwen is het doel van deze uitdelingen van genade. Er wordt in dit kader door Paulus ook gesproken over bedieningen. ‘Bedieningen (diakonai)’ zijn taken die men heeft binnen de gemeente. Iemand is een herder of een leraar, terwijl hij/zij daarvoor gaven van genade ontvangt. Anders gezegd: iemand heeft een bediening en is zelf een gave aan de ander en heeft daarmee een unieke plek in het lichaam van Christus. Het heeft dus allemaal met elkaar te maken. Op verschillende plaatsen worden deze thema’s behandeld (Rm12, 1Ko12, Ef4 en 1Pt4). Laten we beginnen met de bekendste, 1 Korintiërs 12, daarna de andere plaatsen.

Voordat we gaan kijken naar de gaven van genade, zoals ze behandeld worden door Paulus in deze brief, nemen we eerst de situatie onder de loep zoals die waarschijnlijk het geval was daar. We moeten, willen we de waarheid kennen, altijd de context erbij nemen waarin de Bijbel iets leert. Paulus schrijft aan hen:

Ik dank mijn God altijd over u, vanwege de genade van God die u gegeven is in Christus Jezus, dat u in alles rijk geworden bent in Hem: in alle woord en alle kennis, zoals het getuigenis van Christus onder u bevestigd is, zodat het u aan geen genadegaven ontbreekt. 1:4-7

Het trieste in deze gemeente was, dat het aanwezig zijn van geestelijke uitingen op zichzelf zegt niets over het wel of niet geestelijk volwassen zijn van de gelovigen. De Korinthiërs waren namelijk vleselijk (1Ko3:1), er was veel verdeeldheid en ze schepten bijvoorbeeld op over hun vermogen om in tongen (talen) te spreken. De ‘spectaculaire’ gaven vonden zij het mooist en ze misbruikten op deze manier de bedoeling van God ermee. Sterker nog, Paulus moet constateren dat zij een andere geest hadden ontvangen (zie 2Ko11:3-4). Dus het aanwezig zijn van uitingen in de gemeente kan heel goed door een andere geest gebeuren. Als er geen eenheid is, maar verdeeldheid, twist en ruzie, dan kunnen we concluderen dat alle aanwezige ‘gaven’ vanuit een ander motief worden gebruikt. Het is dan de duivel die zegeviert. Dit is een ernstig woord!

Het grote thema van het twaalfde hoofdstuk is daarom eenheid. Hoewel er verschillende uitingen zijn, moeten we goed onthouden dat we een eenheid zijn in Christus. We zijn tot één lichaam gedoopt (1Ko12:13). De gaven leiden daarom altijd tot eenheid. Werkt de Geest, dan ontstaat er eenheid. De Korinthiërs kwamen uit het heidendom en moesten allereerst iets leren over geestelijke uitingen:

Ten aanzien van de uitingen des Geestes (pneumatika=geestelijke) uitingen, zaken, gaven) wil ik u niet onkundig laten. 12:1

Er waren uitingen vanuit de geestelijke wereld in de gemeente te Korinthe. Dit waren ze wel gewend vanuit het heidendom, waar ook boze geesten zich lieten horen. De vijand probeert altijd weer via dit soort geesten de gemeente te beïnvloeden. Hij doet zich daarbij voor als de Geest van God. Het aanwezig zijn van deze uitingen vanuit de geestenwereld, pneumatika, was dus op zichzelf geen bewijs van de werking van de Heilige Geest. Paulus vervolgt namelijk:

Gij weet, dat gij, toen gij nog heidenen waart, u blindelings naar de stomme afgoden liet heendrijven. Daarom maak ik u bekend, dat niemand, door de Geest Gods sprekende, zegt: Vervloekt is Jezus; en dat niemand kan zeggen: Jezus is Here, dan door de Heilige Geest. 12:2,3

Met andere woorden: naar hun uiterlijke verschijningsvormen identieke pneumatika kunnen uit de Geest, maar ook uit de wereld van de afgoden (lees: demonen) afkomstig zijn. Het feit dat iemand vanuit de geestelijke wereld een openbaring heeft of een andere uiting, is voor de natuurlijke mens erg interessant en aantrekkelijk, maar Paulus schrijft hoe we kunnen herkennen of iets van God komt of van satan (zie ook 1Jh4:1v.). Dé christelijke belijdenis ‘Jezus is Heer’ in die tijd van de keizers, kon alleen van de Heilige Geest komen. Uitingen die leiden tot Christus als Heer, die mensen nog meer onderwerpt aan zijn heerschappij, zijn uit God. Zodra iemand Jezus vervloekt of niet wil erkennen als de hoogste Heer, is deze een werktuig van satan. Bovendien spreekt er nu één Geest in de gemeente, in tegenstelling tot de vele geesten in het heidendom (zie vs4). 

De werking van de Heilige Geest wordt in vers 7 samenvattend genoemd de openbaring (phanerôsis, manifestatie) van de Geest. In vers 4-6 wordt deze als volgt uitgesplitst:

1. Nu is er verscheidenheid van genadegaven (charismata), maar het is dezelfde Geest (kracht van God voor de bediening)

2. en er is verscheidenheid van bedieningen (diakonai), maar het is dezelfde Heer (gezag waaronder de dienstknecht staat in de bediening)

3. en er is verscheidenheid van (uit)werkingen energèmata, effecten), maar het is dezelfde God die alles in allen werkt (resultaat van alle bediening)

Hier zien we de drie-ene God aan het werk. In Rm12 zien we dat God (de Vader) de schenker van de gaven is, in Ef4 de verheerlijkte Christus en in 1Kor12 vooral de Heilige Geest. Het is de Geest die aan een ieder afzonderlijk toedeelt zoals Hij wil (vers 11). Nadat Paulus in vers 7 het doel van alle bedieningen heeft genoemd: het welzijn van allen (tot wat nuttig is), volgt de opsomming van negen gaven (Telosvertaling):

1. Een woord van wijsheid en aan een volgende

2. Een woord van kennis volgens dezelfde Geest; aan een ander

3. Geloof door dezelfde Geest; en aan een volgende

4. Genadegaven (charismata) van genezing door de ene Geest; en aan een volgende

5. Werkingen (energèmata) van krachten; en aan een volgende

6. Profetie; en aan een volgende

7. Onderscheidingen van geesten; aan een ander

8. Allerlei talen; en aan een volgende

9. Uitlegging van talen

Deze lijst is niet compleet, alsof dit alle geestesgaven zijn. De Bijbel noemt op andere plaatsen ook nog andere gaven. Het is de grote vraag of:

A:) Dit negen uitdelingen van genade zijn die ieder op een bepaald moment kan ontvangen om zo zijn/haar bediening optimaal uit te kunnen oefenen,

B:) Of dat deze negen gaven tot bepaalde personen zijn beperkt, zodat de één dit en de ander dat ontvangt. Het vervolg over de leden van het lichaam suggereert dit mijns inziens wel. Het onderwijs van Paulus maakt duidelijk dat een gelovige getypeert wordt door een bepaald soort charismata. De één heeft dit, de ander heeft dat. De één is een ‘oog’, terwijl de ander een ‘oor’ is. Bovendien schrijft hij aan het slot in de vragende zin: Zijn zij soms allen apostelen? Allen profeten? Allen leraars? Allen krachten? Hebben soms allen de gaven van genezing? Spreken soms allen in tongen? Vertolken zij soms allen? (1Ko12:29-30). Hij suggereert daarmee dat het antwoord op deze vragen m.i. duidelijk ‘nee’ moet zijn. Niet iedereen kan iedere gave ontvangen, maar juist de één dit en de ander dat. Ieder heeft zijn eigen plaats in het lichaam.

Helaas is hier verwarring over ontstaan, omdat men teveel de focus legt op wat wij kunnen ontvangen i.p.v. op Wie geeft en wat wij kunnen doorgeven.

In vs28-30 worden bovendien vijf (profeten, krachten, genadegaven van genezing, allerlei talen, uitleggers) van de negen gaven nog eens genoemd naast de vermelding van enkele bedieningen (taken): apostelen, leraars, hulpbetoningen, besturingen. Het kan ook zijn dat het bij de vijf hier genoemde charismata in feite om vijf door deze charismata getypeerde bedieningen gaat. Het is ook mogelijk dat gaven en bedieningen meer doorelkaar lopen dan dat wij denken en moeten we het onderscheid tussen deze twee minder belangrijk maken. Ik denk dat iemand vanaf zjn bekering een specifieke plek in het lichaam heeft, een specifieke gave. Paulus heeft hier het hele lichaam van Christus op aarde voor ogen. De gaven worden dus niet in verband gebracht met het thema van het koninkrijk van God, maar met het thema van het lichaam van Christus!

Voordat we de negen gaven gaan bekijken, eerst nog even de belangrijke vaststelling dat geen van deze negen gaven een permanent aanwezig geestelijk talent is! Niemand ‘heeft’ de gave van wijsheid, profetie etc. (in de zin van eigen talent, capaciteit), maar aan ieder afzonderlijk wordt op een bepaald moment één of meer van deze gaven geschonken door de Heilige Geest om de ander te dienen! Het is dus een gave voor de ander. Iemand ontvangt bijvoorbeeld een gave (letterlijk: ‘stukje genade’) van genezing voor de ander. Men ontvangt een geschenk van God om aan de ander door te geven. Toch staat er in 1Ko12:30 ‘Hebben soms allen genadegaven van genezingen?’ Hier staat ‘hebben’ in de zin van bezitten. Kennelijk is het dus toch mogelijk een gave te hebben, terwijl het niet ons bezit is. Letterlijk staat er trouwens ‘genadegaven van genezingen’, porties genade die op een bepaald moment gegeven worden. Charismata betekent niet ‘Geestesgave’, maar ‘genadegave’: Daar wij nu verschillende genadegaven hebben, naar de genade die ons gegeven is (Rm12:6).

Het gaat in de charismata om ‘openbaringen’ (manifestaties, uitingen) van de Geest (1Ko12:7); ook deze uitdrukking wijst op het incidentele karakter van de genadegaven. Sommige gelovigen ontvangen bepaalde genadegaven vaker dan anderen, denk aan apostelen, profeten, leraars, krachten (personen in wie zich dikwijls Gods kracht openbaart), genezingsbedienaars, etc. (1Ko12:28) Ook hier geldt weer: De Geest deelt uit aan wie Hij wil (vs11). Gaven zijn daarom ook niet te ‘oefenen’. De Bijbel spreekt daar nooit over, maar geeft opdracht de gaven op een geestelijke manier in te zetten, namelijk tot opbouw van de ander.

De geestelijke gaven zijn ‘nuttig’; ze zijn voor de opbouw van het lichaam van Christus en voor de toevoeging van nieuwe bekeerlingen, dus nieuwe leden aan het lichaam (1Ko12:7; 14:3; Ef4:12). In het OT vinden we de wondergaven enkel bij de profeten, in het NT worden de charismata over alle gelovigen uitgestort (Jl2:28).

We gaan nu elk van de negen gaven eens afzonderlijk bekijken.

Een woord van wijsheid

Vroeger dacht ik: Wijsheid is het door de Heilige Geest ontvangen licht over goed en kwaad, dat is inzicht in de vraag hoe wij of anderen in een bepaalde situatie naar Gods wil hebben te spreken en te handelen, naar Zijn Woord. Een voorbeeld vinden we in Handelingen 6:1-4 waar de apostelen wijsheid ontvingen hoe te handelen in een lastige situatie. Jezus belooft aan de zijnen woorden van wijsheid die gevangengenomen worden en voor hun rechters moeten getuigen (Mt10:17-20). Zie ook in Lc20 hoe Jezus met woorden van wijsheid zijn tegenstanders van repliek dient. Wijsheid is toegepaste kennis. Nu denk ik dat Paulus hier toch meer doelt op de wijsheid van het inzicht in het Woord en de praktische toepassing daarvan. Immers, de wijsheid hoe we moeten handelen is volgens Jakobus 1:5 voor iedere gelovige beschikbaar en het is toch duidelijk dat dat niet het geval is met de gaven. De één heeft immers dit en de ander dat.

Een woord van kennis

In ruimere zin kunnen we bij een woord van kennis denken aan geïnspireerd leerstellig onderwijs (zie 1Ko14:6). Sommigen beweren dat deze kennis feiten omtrent verleden en heden van personen en zaken betreft . Zie het treffende voorbeeld uit Hd5:1-11 waarbij Petrus ‘wist’ dat Ananias en zijn vrouw Saffira gelogen hadden over de opbrengst van hun land. Dit valt niet onder de ‘kennis’. Het zijn openbaringen van God. Ik meen dat Paulus hier, gezien het verband met de hele brief en zijn verdere onderwijs, aan kennis over God en zijn Woord denkt, alsmede inzicht in Schriftuurlijke beginselen van waaruit wij die feiten hebben te bezien (vglRm15:14). Bovendien leert Jezus zijn discipelen dat Hij hen zou heiligen door het Woord van God (Jh17:17). Alleen door te leren wie Jezus is (zie ook Ef4:13 ‘de kennis van de Zoon van God’) groeit de gemeente. Deze kennis moet zijn gewerkt door de Heilige Geest, zoals Jezus dit Zelf heeft aangekondigd in Jh16:13: ‘Hij zal u in de hele waarheid leiden’. 
In de praktijk zien we mensen die van alles ‘doorkrijgen’ over de ander, wat ik als gevaarlijk beschouw, zeker als het over ziekten of demonische belasting gaat. Dat wordt zeker niet bedoeld met een woord van kennis, maar lijkt op paranormale gaven die we in het occultisme tegenkomen. God kan bepaalde zaken openbaren, maar zelfs in de Schrift is dit uiterst zelden. Gebeurt dit toch, dan moet men dit niet een gave van kennis noemen. Meer hierover in het artikel over genezing op deze site.

Onderscheidingen van geesten

Deze gave is een wonderbaarlijke geestenkennis. Het woord ‘geest’ kan hier betekenen: de inwendige mens (1Ko14:2), een geestelijke ‘uiting’ of ‘gave’ (1Ko14:12), een engel of een demon. In 2Ko11:4 spreekt Paulus over het ‘ontvangen’ van een ‘andersoortige geest’, dat is een verkeerde mentaliteit en/of een demon. Deze gave onderscheidt of een uiting van de Geest of van een demon is. Zie Hand16:16-18 waar Paulus de geest onderscheidde waardoor het meisje sprak, hoewel haar woorden lovend waren. Men kan peilen wat er in de ‘geest’ van een mens omgaat, hetzij ten goede of ten kwade. Bovendien is deze gave van belang om te onderkennen of een bepaald persoon is gebonden door demonen of niet. Vooral is deze gave belangrijk om te toesten of iemand een leer brengt naar de Schrift of niet.

Geloof

Uit 1Ko13:2 blijkt dat het gaat om geloof dat (figuurlijk gesproken)bergen in de zee werpt (zie ook Mt17:20;21:21; Mc11:22v). Dit heeft niets te maken met het zaligmakend geloof. Het is de door God gegeven geloofsovertuiging dat Hij in een gegeven situatie op een bepaald moment een bepaald wonderwerk kan en wil doen en zal doen via de persoon die het geschenk van dit ‘geloof’ daartoe ontvangen heeft en die zich daarin volkomen aan God toevertrouwt. Zoals bij Elia die de profeten van Baäl uitdaagt en door zijn geloof ‘weet’ dat hij zijn altaar zo nat kan maken als hij maar wil, want God zal het vuur laten neerdalen (1Kn18:20-46).

Genadegaven van genezing

Door de kracht van de Heilige Geest schenkt God een genezingswonder aan personen die zich daarvoor openstellen. De Schrift leert niet dat ieder persoon in iedere tijd zomaar kan genezen zoals de apostelen dat deden in de begintijd. Voor gelovigen van vandaag ligt dit toch weer anders denk ik zelf. Denk alleen al aan het hoofdstuk voor 1Kor12, waar Paulus schrijft dat er velen ziek zijn in de gemeente van Korinthe. Ik verwijs u naar het artikel op deze site ‘genezing: wat zegt de Bijbel’, waar ik uitgebreid hier op inga. Als God het geloof geeft, dan krijgt de ontvanger de overtuiging de genezing uit te spreken, hetgeen 100% gebeurt, niet half en zeker niet in een paar gevallen. 

Werkingen van krachten

‘Krachten’ is hier dynameis, hier in de zin van ‘wonderen’. Er lijkt een nauw verband te bestaan tussen de ‘genadegaven van genezing’ en de ‘werkingen van krachten’ (zie vooral Mc5:30; Hd4:7;10:38;19:11). Verder horen we van wonderbaarlijke bevrijdingen (Hd12), over wonderbare verplaatsingen (Hd8:39v), dodenopwekkingen (Hd9:36-42) en slaan met blindheid (Hd20:9-12). Deze dingen zijn ‘tekenen’ in de tijd dat God de verkondiging van het evangelie bevestigde (Hb2:4). Vandaag kunnen deze krachten plaatsvinden in die gebieden waar het evangelie wordt gebracht. Ook in het leven van gelovigen kunnen wonderen gebeuren. Het zal altijd zijn tot stichting van de gemeente.

Profetie

Profetie is de geestelijke interpretatie van de tijd en de gebeurtenissen rondom Gods volk. (1Ko13:2,8;14:1-3-6,22,24,29,31v.,37,39;1Ts5:20). Een profeet spreekt Gods Woord en legt dat neer op het hart van de gelovigen zodat deze worden aangesproken. In Hd2:17 is profetie parallel met ‘gezichten zien’, en elders (Hd11:27v) met het in de toekomst zien. In principe kan elke gelovige in elke gemeente profeteren (‘als allen profeteren’ 1Ko14:24, maar dat is iets anders dan wat hier wordt bedoeld. Dat slaat op het opbouwen van de ander, volgens 1Ko14:1 is dit waar de gemeente vooral naar moet streven omdat dit opbouwen van anderen goed is, terwijl het hier gaat over de bediening van de profeet.). Profetieën kunnen ook betrekking hebben op het leven van een individuele gelovige (1Tm1:18; 4:14) maar mogen een gelovige nooit leiden, ze zijn slechts ter bemoediging en vertroosting (1Ko14:3), ze moeten bevestigen wat een gelovige in zijn hart al weet of nog gaat weten.

Vandaag zijn er mensen met een zogenaamde profetische bediening. Ze leren anderen om te oefenen hierin. Het resultaat is dat men over elkaar de prachtigste en mooiste dingen uitspreekt, terwijl het Woord van God gesloten blijft , een ernstige misleiding. Immers, de gelovige gaat op iets anders vertrouwen dan op Gods Woord. Een profeet spreekt over zonde en bekering (zie Jeremia 23:29) en is niet een soort aanvulling op de Bijbel om mensen een fijn gevoel te geven. Daarmee is niet gezegd dat profetie geen vertroostende werking kan hebben, maar we moeten alle dingen toetsen of het van de Heer is of dat het uit de mens zelf voortkomt. Zoals gezegd is profetie de geestelijke interpretatie van dingen zodat Gods volk zich vernieuwt in haar toewijding. Profetie heeft ten doel Gods gedachten over de situatie van het volk van God weer te geven zodat men zich schikt naar Zijn wil.

Allerlei talen

Van alle gaven van de Geest is over de zogenoemde ‘tongentaal’ (glossolalie, NBV: klanktaal) verreweg het meest geschreven. Glossolalie is spreken in een taal die men niet geleerd heeft, en dus van ‘wonderbaarlijke’ aard; of nauwkeuriger: het is uit de Geest. Het spreken in een taal gebeurt door de Geest, maar niet buiten de controle van de tongenspreker om (zie 1Ko14:27v.,32). Tongensprekers kunnen dus rustig wachten op elkaar en op uitleggers. Het is niet zozeer de Geest die door de tongenspreker spreekt als wel de tongenspreker die spreekt in de kracht van de Geest. Men kan God ook niet bidden dat Hij door de bidder heen zal getuigen of profeteren, nee, de bidder moet zelf zijn mond open doen tot getuigenis en profetie en daarbij vertrouwen op de Heilige Geest. Glossolalie is gericht tot God en houdt dus gebed of lofprijzing in (Hd2:11, 1Ko14:2v.,28). Zij was dus niet bedoeld om het evangelie te verkondigen in talen die men niet geleerd had, al kan men de mogelijke betekenis op het zendingsveld niet uitsluiten. Glossolalie kan onverstaanbaar zijn voor de tongenspreker (1Ko14:13v.), maar niet noodzakelijk (vs15). De ‘talen’ in 1Ko14 zijn uitingen in de gemeente en mogelijk onderscheiden van de persoonlijke gebedstaal (aangenomen dat tongentaal ook een persoonlijke gebedstaal is, waar ik in de Bijbel geen duidelijk bewijs voor kan ontdekken. Het ‘zichzelf opbouwen’ d.m.v. tongentaal uit 1Ko14:3 is m.i. juist een sarcastische opmerking van Paulus om aan te geven hoe negatief dit is tegenover het opbouwen van anderen).

Sommige uitleggers zeggen: ‘Het kan om aardse talen gaan, maar ook om hemelse (1Ko13:1). Tongentaal is gebed zonder begrippen, gebed op een diep, niet-cognitief niveau’. Zelf kan ik hier niet in meegaan en denk ik dat het om bestaande talen moet gaan. Hiervoor verwijs ik u naar het artikel op deze site ‘Spreken in tongen’. Dat Paulus een hypothese noemt over talen van engelen wil nog niet zeggen dat dit een realiteit is. In zijn verdere onderwijs (vooral 1Ko14:22) lijkt het mij duidelijk dat de tongentaal een bestaande taal was voor ongelovigen (en dan specifiek de Joden) bedoeld als een teken, zoals dat ook gebeurde in Hd2. Deze talen als een teken zijn nu niet meer nodig. Zie helemaal onderaan.

Uitlegging van talen

Uitlegging van talen gaat verder dan simpelweg vertalen. De uitlegger legt woorden uit die gesproken zijn in een taal die hij/zij zelf ook niet geleerd heeft. De uitlegger kan dezelfde zijn als de tongenspreker (1Ko14:5,13), of een ander (vs27v.). Publieke tongentaal in de gemeente, die, zoals het behoort, vergezeld gaat van uitlegging, heeft ruwweg dezelfde functie als profetie, aangezien zulke glossolalie dan dient tot opbouw van de gemeente (Vs5, 26-28).

Naast 1 Kor12 worden er nog de volgende gaven van genade genoemd:

Onderwijs

Deze gave (zie Rom12:7 ‘wie onderwijst, in het onderwijzen’, Ef4:11 ‘leraars’) ontvangt iemand bij zijn wedergeboorte. Het is een bovennatuurlijk vermogen om Bijbels onderwijs zo te brengen dat het overzichtelijk is, goed te begrijpen en opbouwend voor mensen. Mensen krijgen inzicht in de waarheid door dit onderwijs. Deze gave heb ik zelf. Vanaf mijn bekering in 1993 heb ik al het verlangen om mensen te onderwijzen vanuit Gods Woord. Hierbij is het belangrijk dat ik zelf goed onderwezen wordt (zie 2Tim2:2). Door goede boeken te lezen en goede leraren om me heen te hebben, kan ik zelf groeien in de kennis van de waarheid.

Omdat dit een gave is van de Geest is het niet zo dat iedereen die in het dagelijkse leven onderwijst ook gelijk in de gemeente kan onderwijzen. Een persoon die de gave van onderwijs heeft, wordt door anderen ook erkend als iemand die leert met een bepaald gezag. Men ‘proeft’ als het ware dat deze persoon door God wordt gebruikt.

Dienen

Iedere christen is geroepen om te dienen, maar sommigen hebben een speciale geestesgave daarvoor (Rom12:7 ‘Wie dient, in het dienen’, 1Ko12:28). Zij dienen de gemeente met heel praktische zaken, denk aan de personen in Hd6 die ‘diakenen’ van het Griekse ‘diakonos’=dienen worden genoemd.

Vermanen

Hoewel iedere geestelijk volwassen gelovige de ander kan en mag vermanen (zie Gal (6:1-2) en hoewel dit ook in het profeteren gebeurt (1Ko14:3), zijn er ook mensen met een gave om te vermanen (zie Rm12:8). Deze personen kunnen vermanen zonder dat de ander kwaad wordt en zich afsluit. De ‘vermaanden’ erkennen dat dit van Godswege is gebeurd. Helaas zien we vandaag dat de mensen niet zo makkelijk meer zijn te vermanen. In de praktijk heeft men lange tenen en gaat men zelfs gelijk de gemeente uit als men een keer stevig wordt aangesproken op verkeerd gedrag. Paulus zegt: ‘Laat u vermanen, laat u terechtwijzen (2Ko13:11)’ en Jakobus noemt gezeglijkheid als een bewijs van wijsheid van boven (Jk3:17). Vermaning moet altijd gebeuren op grond van de gezonde leer (Titus1:9). Het doel van alle vermaning is ‘liefde uit een rein hart, uit een goed geweten en een ongeveinsd geloof (1Tim1:5)’.

Geven

Deze genade van de Heilige Geest (zie Rom12:8) is de gave om op het juiste moment, met de fijngevoeligheid van de Heer, iemand materieel te ondersteunen. Dit gebeurt eenvoudig, zonder dat anderen dit weten. De ontvanger weet dat dit geven vanuit een geestelijk motief gebeurt.

Leiding geven, besturen

Wat zou het toch een verschil zijn in onze gemeenten en kerken als de mensen met deze gave ook werkelijk leiding zouden geven (Rom12:8; 1Ko12:28)! Helaas zitten er vaak mensen in de leiding van de gemeente die in het dagelijks leven ook leiding geven (of juist niet), maar die de geestelijke gave niet bezitten. Een leider met deze gave is nederig, verbroken van geest en heeft tegelijk een gezag, een autoriteit van de Heer ontvangen, waardoor anderen ‘aanvoelen’ dat zijn leiding geestelijk is, ondanks natuurlijk menselijke gebreken. In 1Tim3, Tit1 en 1Pet5 zien we welke eigenschappen deze ‘oudsten’ moeten bezitten.

Barmhartigheid bewijzen

Dit zijn de ‘meelijders’ in de gemeente. Zij ontfermen zich over hen die in nood zijn (Rom12:8; Ef4:11). Zij moeten dit doen ‘in blijmoedigheid’. Zij voelen mee met mensen die lijden en hebben een van God ontvangen verlangen hen bij te staan, meer dan anderen. 

De gaven van de Geest werken alleen op de goede manier als een gemeente geestelijk op haar plaats is. Als zij Gods Woord gehoorzaamt en de orde van God respecteert (o.a.die van de verhouding tussen man-vrouw). Vandaag zijn er bijna niet meer zulke gemeenten te vinden. Doordat er veel misleiding is, vooral op het gebied van profetie, tongentaal en genezing, denkt men deze gaven te hebben, maar is het niet van de Geest. Waarom is men altijd zo met deze drie bezig en niet met de andere, hierboven genoemde gaven? Omdat deze drie door machten van de duisternis kunnen worden nagebootst. De ruimte ontbreekt om er hier verder op in te gaan, maar dit zijn ernstige overwegingen. Laten we ons eerst uitstrekken naar de gehoorzaamheid aan Gods Woord en het kennen van Christus, dan geeft God de gaven die wij nodig hebben.

Dan nog een volgende gedachte: Er zijn sommigen die zeggen dat de gaven van profetie, kennis en van talen zijn opgehouden. De Korinthiërs hadden nog niet het complete Woord van God ontvangen, dus moesten ze het doen met een tijdelijke situatie van geestesuitingen. Paulus zegt namelijk dat als het volmaakte (= het volwassen stadium) komt, dan hebben de gaven afgedaan (1Ko13:10). Dit volmaakte is niet de hemelse toestand na de wederkomst van Christus. Hij zegt immers ook: Zo blijven dan: Geloof, hoop en liefde (vers13). Het is onmiskenbaar dat geloof en hoop niet nodig zijn in de hemel dus moet hij wel spreken over iets anders. Uit vers 11 blijkt dat hij profetieën, talen en kennis tot het kindstadium rekent: Toen ik een kind was, sprak ik als een kind, voelde ik als een kind, overlegde ik als een kind. Nu ik een man ben geworden, heb ik afgelegd wat kinderlijk was. Het was een onvolmaakte situatie, waarbij men nog wazig zag, als door een spiegel (vers 12). Het kennen was nog onvolkomen, maar als Gods Woord ons voor de volle 100% onderwijst over wie God is, dan zien we van aangezicht tot aangezicht (vers 13). 

Ik denk dat ‘het volmaakte’ wel degelijk duidt op de toestand bij de Heer, hoewel het woord ‘volmaakt’ of ‘volwassen’ wordt gebruikt voor het geestelijk volwassen zijn (zie Ef413 en Ko1:28). Het woord betekent tot het doel komen van iets. Wij kennen pas zoals wij gekend zijn als we bij de Heer zijn. Waarom Paulus dan zegt: ‘dan blijven geloof, hoop en liefde (vs13)’ is dus de vraag. Hij kan dus niet bedoelen dat die drie dingen blijven tot aan het volmaakte. Ze zijn de drie dingen die elementair zijn en niet ten dele zijn. Profetie, talen en kennis zijn ten dele, dus niet volmaakt, terwijl geloof, hoop en liefde de belangrijkste elementen zijn van ons geestelijke leven.  Al met al blijft dit een lastig gedeelte waar veel onduidelijkheid over is. 

Tot slot: Het feit dat in Ef4 op een andere manier wordt gesproken over de gaven en het feit dat de versierende gaven die het getuigenis bevestigen (krachten, talen, genezingen etc.) minder belangrijk worden geacht door Paulus, moet ons toch zeker tot nadenken stemmen. Zou God vandaag de dag nog steeds met evenveel kracht het getuigenis bevestigen als dit getuigenis in totaal verval is geraakt? Als het fundament is gelegd, zouden deze gaven dan zo belangrijk zijn als dat sommigen willen beweren? Ik geef dit mee als iets om eens over na te denken.