Het is van het allergrootste belang dat christenen zich richten op de juiste zaken. Eerder heb ik daar hier en hier al over geschreven. Helaas zien we dat onder invloed van de geest van deze tijd dit steeds minder gebeurt in de gemeenten en kerken. De aandacht voor de wet, de Joodse gebruiken, de religieuze ervaringen, de ervaringen van de ‘Geest’, wonderen en tekenen zorgen ervoor dat veel gelovigen een verkeerde focus hebben. Het profetische woord maakt in sommige kringen steeds meer plaats voor het bezig zijn met de politieke ontwikkelingen in de wereld waar men in hoopt te ontdekken ‘hoe ver het is’ (zie ook hier). Ongemerkt vullen deze gebeurtenissen steeds meer de gedachten van velen die dit soort lezingen of Bijbelstudies bezoeken. Het maakt de duivel, de oude slang uiteindelijk niet uit waar wij ons als gelovigen mee bezig houden, als het maar niet de heerlijkheid van de Heer is. Toch is de enige manier waarop een gelovige kan groeien het ‘aanschouwen’ van deze heerlijkheid.

Wij allen nu, die met onbedekt gezicht de heerlijkheid van de Heer aanschouwen, worden naar hetzelfde beeld veranderd van heerlijkheid tot heerlijkheid, als door de Heer, de Geest. 2Kor3:18

Hier lezen we dat wij veranderen (letterlijk: ’transformeren’) naar zijn beeld als we met een onbedekt gezicht de heerlijkheid van de Heer Jezus aanschouwen. Wat bedoelt Paulus hier precies met een ‘onbedekt gezicht’ en met de ‘heerlijkheid van de Heer’? En hoe ‘aanschouwen’ wij deze dan? In dit gedeelte plaatst Paulus twee ‘heerlijkheden’ tegenover elkaar: de heerlijkheid van de bediening van de wet en de heerlijkheid van de bediening van de genade. Het eerste noemt hij ‘de bediening van de dood’ (2Kor3:7) en ‘van de veroordeling’ (vs9) en het tweede de ‘bediening van de Geest’ en ‘van de gerechtigheid’ (vs8). Iedere keer kreeg Paulus het verwijt dat hij niet behoorde tot de twaalf apostelen en dat zijn apostelschap niet deugde aangezien hij niet, zoals de twaalf eerst nog deden, bleef bij het Jodendom. In antwoord hierop plaatst hij deze twee ‘heerlijkheden’ tegenover elkaar.

Want als de bediening van de veroordeling heerlijkheid had, zoveel te meer is de bediening van de gerechtigheid overvloedig in heerlijkheid. 2Kor3:9

De Israëlieten konden destijds, toen Mozes afdaalde van de berg en zijn gezicht glansde, deze heerlijkheid niet verdragen (2Kor3:7). Mozes deed daarom een bedekking voor zijn gezicht ‘opdat de zonen van Israël hun ogen niet vestigden op het einde van wat te niet gedaan moest worden’ (2Kor3:13). Hoewel de Israëlieten bijzondere voorrechten genoten, waren zij bijna allemaal (enkele uitzonderingen daargelaten zoals Jozua, Kaleb en Mozes) niet wedergeboren kinderen van Adam want slechts uiterlijk met God verbonden. De wet die God aan Mozes gaf, omvatte de eisen die van Godswege gelden voor alle kinderen van Adam. Maar omdat de mens in zichzelf volkomen krachteloos is vanwege de zonde om aan deze heilige eisen te voldoen (zie Rom8:3), veroordeelde de wet de mens en was het een ‘bediening van de dood’. Waarom ging deze wetgeving die veroordeelde dan toch gepaard met heerlijkheid? Omdat de HEERE die de wet gaf, zijn heerlijkheid aan Mozes toonde op de berg.

Toen daalde de HEERE neer in een wolk, ging daar bij hem staan en riep de Naam van de HEERE uit. Toen de HEERE bij hem voorbijkwam, riep Hij: HEERE, HEERE, God, barmhartig en genadig, geduldig en rijk aan goedertierenheid en trouw, Die goedertierenheid blijft bewijzen aan duizenden, Die ongerechtigheid, overtreding en zonde vergeeft, maar Die [de schuldige] zeker niet voor onschuldig houdt en de ongerechtigheid van de vaders vergeldt aan de kinderen en kleinkinderen, tot in het derde en vierde [geslacht].Ex34:5-7

Het volk had gezondigd met het gouden kalf toen Mozes de eerste stenen tafelen ontving (Ex32). Toch verdelgde God het volk niet in zijn geheel (Ex33:16). Er was genade bij God in zijn wegen met hen. Dit leidt Mozes ertoe de HEERE te vragen diens heerlijkheid te mogen zien (Ex33:18). De HEERE spreekt tot Mozes en spreekt over de genade en ontferming die er in Hem is (Ex33:19), waarvan Mozes veertig dagen op de berg hoort en ziet. Daarbij toont God hem ook, in typen, de heerlijkheden van Christus door de hemelse tabernakel te laten zien, het huis van God. Hierdoor glanst zijn gezicht omdat hij in de tegenwoordigheid is van de heerlijkheid van God en ‘de HEERE met hem gesproken had’ (Ex34:29). Op de berg was er vrede, rust, vreugde voor Mozes want hij was in de tegenwoordigheid van Gods heerlijkheid, de voortreffelijkheden van zijn Persoon. Maar aan de voet van de berg moest hij deze afstraling van heerlijkheid bedekken voor hen die het van zichzelf verwachtten. Zo kan een mens die zijn eigen gerechtigheid wil bewerken voor God nooit iets verdragen van de heerlijkheid die er is van de genade. We zien dit bijv. in de voortdurende vijandschap van de Joden richting het evangelie in het boek Handelingen. Paulus schrijft over hun haat tegenover hem in bijv. 2Ko11:24 en 1Th2:15-16.

Toch heeft Mozes niet de volkomen volmaakte heerlijkheid van de HEERE gezien of gehoord. God staat immers toe dat Mozes Hem ‘van achteren ziet’ (Ex33:23), terwijl de HEERE hem met zijn ‘hand’ bedekt (vs22). De heerlijkheid die nu vandaag in Christus is geopenbaard is ‘overvloedig in heerlijkheid’ (2Kor3:9). Deze ‘uitnemende heerlijkheid’ (2Kor3:10) is de volmaakte genade die God op het kruis heeft bewerkt voor allen die geloven. Dezelfde heerlijkheid die de gerechtigheid eist in de wet is de oorsprong van de ‘heerlijkheid van genade’ die nu in het evangelie bekend is geworden (Ef1:6). Deze genade stelt de gelovige in Christus volkomen rein, onberispelijk, zuiver voor God de Vader, even aangenaam als de Geliefde Zoon voor Hem is.

…terwijl Hij ons tevoren door Jezus Christus tot het zoonschap voor Zichzelf bestemd heeft, naar het welbehagen van zijn wil, tot lof van de heerlijkheid van zijn genade, waarmee Hij ons begenadigd heeft in de Geliefde, Ef1:5-6

De gelovige is geroepen in de nabijheid van de Vader, zoals de Zoon dit is, en is bestemd om de heerlijkheid van de Heer Jezus te verkrijgen (Rom8:29; 2Th2:14) en voor eeuwig in het huis van de Vader te zijn. In deze ‘heerlijkheid van zijn genade’ wordt het hart van de Vader openbaar. Deze genade gaat veel verder dan die Mozes aanschouwde op de berg. Dáár ging het om Gods wegen met het volk Israël op aarde, terwijl het hart van de Vader de zegen in eeuwigheid voor de gelovigen heeft gegeven in zijn eigen nabijheid. Gods Zoon, Jezus Christus heeft deze rijkdom van genade voor ons verworven door in de dood te gaan en zo onze ongerechtigheid weg te nemen. Nu is Hij verheerlijkt in de hemel met heerlijkheid en eer gekroond (Heb2:7). Dáár is Hij ons voorwerp van aandacht, liefde, aanbidding en bewondering.

Wij hebben nu een ‘onbedekt gezicht’ omdat wij in Hem de genade van God kennen. In hem groeien wij op door de bediening van de Geest (2Kor3:8). Dit is het ‘aanschouwen’ van de heerlijkheid van de Heer door met Hem bezig te zijn, Hem te leren kennen uit de heilige Schriften die immers van Hem getuigen (Joh5:39) en de Vader door Hem te aanbidden. Ik krijg zo niet alleen liefde voor de heerlijkheid, maar voor Hem die van deze heerlijkheid getuigt die van de Vader afkomstig is. De bediening van de Geest leidt altijd tot aanbidding van de Vader en de verheerlijking van de Zoon. Helaas is deze ware aanbidding in de evangelische wereld vervallen tot oppervlakkige, eindeloze herhaling van allerlei frasen onder ritmische of zelfs extatische muziek die men ‘worship’ noemt. De zogenaamde ‘worship-leiders’ gaan voor in hun, op de emotie gerichte ‘aanbidding’ onder aanvoering van vaak luide muziek. Vele christelijke liederen (zie de bundel Opwekking) missen echter diepgang, reflecteren niet de heerlijkheid van Christus, of de volheid van alle schatten die er in Hem verborgen zijn (Kol2:2), maar gaan over onszelf, over onze ’toewijding’.

Ware aanbidding is de vrijmoedige, sobere, bezonnen en ingetogen (Tit2:12) spontane uitstroom vanuit de harten van de gelovigen van de heerlijkheid van Christus tot de Vader in de hemel. 

Christus is op deze wijze te allen tijde de focus, het doel ook in de samenkomsten. Ook bij Paulus zien we, terwijl hij schrijft te zijn ‘gegrepen door Christus’ (Fp3:12) éénzelfde duidelijke focus:

…maar één ding doe ik: terwijl ik vergeet wat achter is en mij uitstrek naar wat voor is, jaag ik in de richting van het doel naar de prijs van de hemelse roeping van God in Christus Jezus. Fil3:14

Het resultaat van dit ene doel, deze ene liefde (Fil2:2) was dat Paulus een ‘brief van Christus’ was, geschreven met de Geest van de levende God (2Kor3:3). Hij sprak namens Christus (Rom15:18) en leeft voor Christus (Fil1:21). Hierin bewees hij een ware apostel (‘gezondene’) te zijn. Hij verdroeg de verdrukkingen en verzoekingen en diende anderen. De heerlijkheid aan Mozes verschenen deed hem zijn gezicht voor anderen verbergen. De heerlijkheid aan Paulus verschenen deed hem anderen dienen.

Maar wij hebben deze schat in aarden vaten, opdat de uitnemendheid van de kracht van God is, en niet uit ons: in alles verdrukt, maar niet benauwd; geen uitweg ziende, maar niet geheel zonder uitweg; vervolgd, maar niet verlaten; neergeworpen, maar niet omkomend; altijd het sterven van Jezus in het lichaam omdragend, opdat ook het leven van Jezus in ons lichaam openbaar wordt. 2Kor4:7-10

Zo behoren ook alle gelovigen te zijn, niet strevend naar rijkdommen want deze hebben wij in Hem, niet zoekend naar de vreugde van deze wereld, want wij hebben onze vreugde voor eeuwig in Hem. Zeg niet: ‘Ik lijk nog zo weinig op Hem’, want dit is bezig zijn met onszelf en niet met Christus. Kijk niet naar uzelf, aanschouw Hem. Dan verbeteren wij niet onszelf, maar transformeren wij ongemerkt naar zijn beeld. Dit is de essentie van de strijd vandaag in deze tegenwoordige boze eeuw, waarin de mens zichzelf zoekt. Deze geest van zelfonderzoek en zelfexpressie is ook de christenheid binnengeslopen. Het zorgt voor teleurstelling, wanhoop en depressie terwijl het bezig zijn met de Heer Jezus vreugde, rust en stabiliteit geeft.

Overigens, broeders, al wat waar, al wat eerzaam, al wat rechtvaardig, al wat rein, al wat beminnelijk, al wat welluidend is, als er enige deugd en als er enige lof is, bedenkt dat. Wat u geleerd, ontvangen, gehoord en gezien hebt in mij, doet dat; en de God van de vrede zal met u zijn. Fil4:8-9