Onder de vele misleidingen die er vandaag rondgaan in ons land en de levens van velen geestelijk negatief beïnvloeden, is er ook de leer die zegt dat de periode van de genade van God begon bij de bekering van Paulus. Voor die tijd was er een, wat zij noemen (want deze term kent de Bijbel helemaal niet) ‘koninkrijksgemeente’. Deze bestond uit bekeerde Joden die nog vasthielden aan de wet, terwijl zij wel het verlossingswerk van de Heer Jezus hadden aanvaard. Maar Paulus’ bekering markeerde een nieuwe periode waar de ‘bovenhemelse’ gemeente (weer een eigenbedachte term) een aanvang nam. Deze leer trekt de bediening van Paulus los van dat wat er voor hem gebeurde. Het feit dat er profetieën worden aangehaald in het boek Handelingen bijvoorbeeld, associeren deze mensen met de conclusie dat het ‘dus’ in dit boek nooit kan gaan over de gemeente, want deze was immers een verborgenheid in het Oude Testament en dus geen onderwerp van profetie (dit terwijl profetie door Petrus in Handelingen 2 wordt aangehaald om de komst van de Geest te bewijzen wat geen geheimenis was).

Nu zouden velen zeggen: ‘Wat maakt het eigenlijk nu uit? Dit is maar een detail waarover sommigen anders denken’. Ik zal in dit artikel aantonen hoe enorm schadelijk deze leer is en hoe belangrijk het is dat wij hier ver vandaan blijven. Want allereerst is deze leer een grove aantasting van het verlossingswerk van Christus. Verkeerde leer komt altijd van de tegenstander van God en heeft altijd tot doel de persoon en het werk van Christus te kleineren. Als het namelijk waar is dat de genade-periode begon bij de apostel Paulus, dan deelde Petrus en de overige elf apostelen dus niet volledig in de gevolgen van het kruiswerk van onze Heer. En dat zou betekenen dat God een ieder die gelooft voordat Paulus zich bekeerde, niet de gevolgen van het kruiswerk volkomen zou toerekenen! Toch schrijft Petrus zelf over een ‘onvergankelijke, onbevlekte en onverwelkelijke erfenis, in de hemelen weggelegd’ (1Pet1:4). Dit komt exact overeen met Paulus’ woorden in Kol1:5 waar hij schrijft over ‘de hoop die voor u is weggelegd in de hemelen‘.

De grote fout die de aanhangers van deze leer maken is dat zij de schriftelijke bediening van Paulus om als enige het geheimenis van het lichaam van Christus aan de gemeenten te bedienen (Ef3:2-8) verwarren met het bezit van deze zegeningen voor een ieder die gelooft. Dat de gelovigen vóór Paulus de volle reikweidte van de hemelse zegeningen nog niet kenden wil niet zeggen dat zij er geen deel aan hadden. Dit was namelijk wel degelijk het geval (het feit dat zij nog niet volledig leefden vanuit hun hemelse roeping is een ander verhaal, zie onder). Laten we bijvoorbeeld eens eenvoudig kijken naar wat er staat in Joh7:38-39:

Wie in Mij gelooft, zoals de Schrift zegt: Stromen van levend water zullen uit zijn binnenste vloeien. Dit nu zei Hij van de Geest, die zij die in Hem geloven, zouden ontvangen; want de Geest was er nog niet, omdat Jezus nog niet was verheerlijkt. 

We zien hier een zeer belangrijk principe, namelijk dat de Geest is verbonden met de verheerlijkte Heer. Dus toen de Heilige Geest kwam in Handelingen hoofdstuk 2, werden de gelovigen verbonden met de verheerlijkte Heer in de hemel. Petrus, de overige elf plus de andere gelovigen uit de 120 die daar aanwezig waren, werden door deze Geest verbonden met de mens Christus in de hemel. Dit is ook exact wat de Heer Jezus zelf zegt in Joh14:18: ‘Ik kom tot u‘. Bovendien zegt de Heer tegen de elf discipelen verderop in Joh14:20: ‘in die dag zult u weten dat Ik in mijn Vader ben en u in Mij en ik in u‘. Dit was het gevolg van het volmaakte werk aan het kruis, dat de gelovigen, te beginnen bij de discipelen (zie Joh17:20; ‘Ik vraag niet alleen voor dezen…’) in Hem zijn, in de verheerlijkte Heer (‘in die dag’, dat is na zijn verheerlijking als de Geest is gekomen) en Hij in hen door de Heilige Geest. God de Geest woont dus op aarde en de gelovigen zijn verbonden met de verheerlijkte mens Jezus Christus. Dit is exact de leer van het lichaam van Christus maar dan in een beknopte, nog niet ten volle geopenbaarde vorm! Het is dan ook niet waar dat de periode van het evangelie van de genade van God begon bij Paulus. Aan alle apostelen heeft God dit geheimenis van het lichaam van Christus geopenbaard, zie Ef3:5. Zelf zegt Jezus tegen de elf discipelen dat zij door de Heilige Geest zouden worden geleid in de volle waarheid (Joh16:13)! Het punt is dat alleen Paulus door Gods genade was geroepen deze boodschap te bedienen aan de gemeente zoals hij dit ook zelf schrijft in Ef3:7. Ieder die geloofde vanaf Handelingen 2 had deel aan de volle gevolgen van het kruiswerk (want Christus was verheerlijkt, een bewijs van Gods volkomen goedkeuring van het werk op het kruis), alleen wisten ze dat nog niet ten volle tot aan Paulus. Hij bediende de gelovigen door hen het geheimenis te leren van het lichaam van Christus, Jood en heiden samen in Christus tot een nieuwe mens geschapen, onlosmakelijk met elkaar verbonden.

Naast een grove dwaling t.o.v. het werk van onze Heer aan het kruis brengt deze leer een verschrikkelijke hoogmoed en verdeeldheid met zich mee. Men denkt meer te weten dan andere gelovigen en scheidt zich af van anderen want die ‘zien’ het nog niet helder. Aanhangers van deze leer hebben ook voortdurend commentaar op andere Bijbeluitleggers die ze met allerlei muggenzifterij kunnen dwarszitten. Ik heb dit zelf meerdere malen meegemaakt. Zoals sommigen van de Korinthiërs zeiden ‘Ik ben van Paulus’ (1Kor1:12), zo zien we dit ook bij hen die deze leer aanhangen.

Een andere grove dwaling die deze leer met zich meebrengt is het denigreren van grote gedeelten van het Nieuwe Testament. Hoewel er heel vroom wordt gezegd dat we van de brieven van Petrus, Johannes, Jakobus en judas ‘veel kunnen leren’, beschouwen ze deze als ‘niet voor het lichaam van Christus’. Alleen de brieven van Paulus (en in sommige extreme varianten van deze leer de vier gevangenisbrieven Efeziërs, Filippenzen, Kolossenzen en Filémon) zijn voor hen die tot het lichaam van Christus behoren. Ik ga hier nu niet dieper op in, maar in iedere brief van Paulus kunnen we zien dat hij iets van de unieke eenheid van de gemeente met de verheerlijkte Heer weergeeft. Nog erger is het bijna, dat zij ook de woorden van onze Heer Jezus minder achten dan de brieven van Paulus. Zo zien zij het prachtige onderwijs van bijv. Johannes 15 over de wijnstok en de ranken als ‘niet voor ons, maar voor de koninkrijksgemeente’. Dit terwijl er duidelijk staat in Joh15:1 dat de Vader de landman is die met de ranken bezig is (15:2). De Vader is tot wie wij zijn gebracht, want ook Paulus schrijft in Ef2:18 en 3:12 dat wij toegang tot de Vader hebben. De waarheid is dat het blijven van de ranken in de wijnstok exact hetzelfde is als de leden die zijn verbonden met het Hoofd in de hemel zoals beschreven in Ef4:16 en Kol2:19! Er is in Johannes 15 weliswaar sprake van verantwoordelijkheid om in de wijnstok te blijven, maar in feite zegt Paulus ook ‘als u namelijk blijft, in het geloof, gegrond en vast’ zie Kol1:23. Het hele punt van verantwoordelijkheid van de gelovigen wordt in deze leer overboord gegooid. Men bekijkt alles vanuit Gods genade en concludeert dan bijvoorbeeld ook dat we ‘onze zonden niet meer hoeven te belijden, want die zijn al vergeven’, volkomen voorbijgaand aan het verschil tussen positie (we zijn vergeven) en relatie (belijdenis van zonden om in een gezonde relatie met God te blijven).

Dat de eerste gelovigen allemaal Joden waren is correct. Dat zij door het geduld van God, nog niet ten volle los waren van de Joodse godsdienst klopt ook. Maar sinds de verwoesting van de tempel in 70 na Chr. en dat wat er geschreven staat in de brief aan de Hebreeën, weten we dat ook de Joodse gelovigen moesten leren uiteindelijk af te zien van dit uiterlijke systeem. Dit neemt niet weg dat zij allen vanaf het begin ten volle deel hadden aan de hemelse zegeningen omdat Gods gerechtigheid dit o.g.v. het kruiswerk ‘verplicht’ was te doen. Zó bijzonder heeft God de Vader dit werk op het kruis gewaardeerd dat Hij een ieder die gelooft in de volle genade laat delen. Petrus noemt Hem dan ook ‘De God van alle genade’ in 1Pet5:10 en Johannes zegt dat ‘wij allen’ uit zijn volheid hebben ontvangen ‘genade op genade’ (Joh1:16).

Laat u niet misleiden door deze leer. Ga niet mee met deze neiging tot ‘twistziekte en woordenstrijd’ (1Tim6:4). Voegt u naar de gezonde woorden van onze Heer Jezus (1Tim6:4) en ga om met hen die de gezonde leer omarmen. Bid voor dezen die gevangen zitten in deze strik van de leugen. Het zijn verwarrende tijden!