Onder de vele leringen die vandaag rondgaan is er ook de leer die zegt dat de periode van de gemeente, het lichaam van Christus begon bij de uitzending van Paulus in Hd13 en dus niet, zoals algemeen door de meeste Bijbeluitleggers wordt aangenomen, en wat ook juist is, bij de uitstorting van de Heilige Geest in Handelingen 2. Jood en heiden zijn namelijk door (‘in de kracht van’) één Geest tot één lichaam gedoopt (1Ko12:13). Deze leer (ook wel de ‘Mid Acts’ leer genoemd) zegt dat omdat de eerste gelovigen in het boek Handelingen bestonden uit bekeerde Joden die nog vasthielden aan de wet, dit betekent dat zij nog niet behoorden tot de gemeente, het lichaam van Christus. Het Joodse karakter van de eerste hoofdstukken van dit Bijbelboek is voor deze uitleggers de reden niet te kunnen geloven dat de volle christelijke zegen al aanwezig was. Het christendom begon ook niet in Hd2 volgens hen, maar God voerde zijn profetische programma met Israël een tijd door m.b.t. het nieuwe verbond onder de wet. Deze gedachte wordt in één tekst al van tafel geveegd als de Heer tegen zijn discipelen zegt die hebben gevraagd naar het herstel van Israél:

Maar u zult kracht ontvangen wanneer de Heilige Geest over u komt, en u zult (niet: ‘het koninkrijk vertegenwoordigen’ of ‘Israël herstellen’, maar:) Mijn getuigen zijn…Hd1:8

De Joodse discipelen werden door de Heilige Geest getuigen van een hemelse Heer, niet van een aardse Messias! De grote pijler van deze leer is echter dat het (vooral het begin van het) boek Handelingen grotendeels Joods is en ‘dus’ niet christelijk kan zijn. Ze zeggen: Kijk maar, de woorden ‘Joden’, ‘Jeruzalem’, ‘Sabbat’, ‘Mozes’, ‘wet’, ‘tempel’, ‘synagoge’, ‘Israël’ komen in totaal wel 250 keer voor in het boek Handelingen. Dit is volgens hen het bewijs dat het nooit kan gaan over het lichaam van Christus dat immers hemels is. We mogen blij zijn dat zij die deze leer verkondigen (o.a. Berean Bible Society) aan zeer gedegen Bijbelstudie doen en een grote liefde voor het Woord van God aan de dag leggen. De vraag is of zij gelijk hebben en of dat eigenlijk veel uitmaakt. Ik denk dat het heel veel uitmaakt om ook hierin de ‘gezonde leer’ te verkondigen en dus deze visie af te wijzen.

Ik heb met deze visie gemeen dat wij beiden geloven dat het aan Paulus was gegeven de verborgenheid van de gemeente als het lichaam van Christus te openbaren (zie hier). Waar ik het niet mee eens ben is dat de werkelijkheid van dit lichaam van Christus niet aanwezig was in de eerste hoofdstukken van Handelingen. Dat was zeer zeker wel het geval, getuige ook het woord ‘gemeente’ (ecclesia) dat 23 keer voorkomt in het boek Handelingen. Zij zeggen dat dit woord niet overal betrekking heeft op dezelfde zaak, maar ‘de gemeente’ in Hd9:31 is niet iets anders dan wat er staat, namelijk de gemeente van God waarvan in Ef1:22 staat ‘de gemeente, die zijn lichaam is’. De tekst uit Hd9:31 luidt:

De gemeente (let op het enkelvoud!) dan door heel Judéa, Galiléa en Samaria had vrede, terwijl zij werd opgebouwd en wandelde in de vrees van de Heer, en zij vermeerderde door de vertroosting van de Heilige Geest. 

Let op dat hier niet staat dat zij leefden onder het nieuwe verbond of onder de wet, maar ‘in de vrees van de Heer’, dat is de hemelse Heer. Bovendien is het niet alleen zo dat de Heilige Geest kwam in Hd2, maar dat ieder die deze Geest ontving, ‘de Heer werd toegevoegd’ (Hd5:14). Dit is de hemelse Heer. Zij komen dan met de zeer vergezochte constructie dat de eerste gemeente een andere gemeente was dan het lichaam van Christus. Deze eerste Joodse gemeente was weliswaar verbonden met een hemels hoofd maar was niet zijn lichaam. Ik vind dat menselijk geredeneer, verwarrend gepraat om de eigen, vooraf bedachte theorie passend te maken. De bijbel spreekt eenvoudig over ‘de gemeente’, maar deze mensen zeggen dan ‘ja, maar dat is een andere gemeente’. U ziet, dat er dus iets in de tekst gelegd wordt wat er niet staat en dit doen zij steeds weer opnieuw. De grote fout die de aanhangers van deze leer m.i. maken is daarom dat zij de schriftelijke bediening van Paulus om als enige het geheimenis van het lichaam van Christus aan de gemeenten te bedienen (Ef3:2-8) verwarren met het bezit van deze zegeningen voor een ieder die gelooft. Dat de gelovigen vóór Paulus de volle reikweidte van de hemelse zegeningen nog niet kenden wil niet zeggen dat zij er geen deel aan hadden. Dit was namelijk wel degelijk het geval (het feit dat zij nog niet volledig leefden vanuit hun hemelse roeping is een ander verhaal, zie onder). Laten we bijvoorbeeld eens eenvoudig kijken naar wat er staat in Joh7:38-39:

Wie in Mij gelooft, zoals de Schrift zegt: Stromen van levend water zullen uit zijn binnenste vloeien. Dit nu zei Hij van de Geest, die zij die in Hem geloven, zouden ontvangen; want de Geest was er nog niet, omdat Jezus nog niet was verheerlijkt. 

We zien hier een zeer belangrijk principe, namelijk dat de Geest is verbonden met de verheerlijkte Heer. Dus toen de Heilige Geest kwam in Handelingen hoofdstuk 2, werden de gelovigen verbonden met de verheerlijkte Heer in de hemel. Het kan dan niet anders dan dat zij dus ook zijn lichaam vormden. Dit is ook de enige logische conclusie als de Heer tegen Saulus zegt: ‘Ik ben Jezus, die jij vervolgt’ (Hd9:5). Petrus, de overige elf plus de andere gelovigen uit de 120 die daar aanwezig waren, werden namelijk door deze Geest verbonden met de mens Christus in de hemel. Dit is ook exact wat de Heer Jezus zelf zegt tegen de apostelen in Joh14:18: ‘Ik kom tot u‘. Bovendien zegt de Heer verderop tegen hen in Joh14:20: ‘in die dag zult u weten dat Ik in mijn Vader ben en u in Mij en ik in u‘. Dit was het gevolg van het volmaakte werk aan het kruis, dat de gelovigen, te beginnen bij de discipelen (zie Joh17:20; ‘Ik vraag niet alleen voor dezen…’) in Hem zijn, in de verheerlijkte Heer (‘in die dag’, dat is na zijn verheerlijking als de Geest is gekomen en dat was in Handelingen 2) en Hij in hen door de Heilige Geest. God de Geest woont dus op aarde en de gelovigen zijn verbonden met de verheerlijkte mens Jezus Christus. Dit is exact de leer van het lichaam van Christus maar dan in een beknopte, nog niet ten volle geopenbaarde vorm! Het is dan ook niet waar dat de periode van de gemeente van God begon bij Paulus. Aan alle apostelen heeft God dit geheimenis van het lichaam van Christus geopenbaard, zie Ef3:5.

Zelf zegt Jezus tegen de elf discipelen dat zij door de Heilige Geest zouden worden geleid in de volle waarheid (Joh16:13)! Het punt is dat alleen Paulus door Gods genade was geroepen deze boodschap te bedienen aan de gemeente zoals hij dit ook zelf schrijft in Ef3:7. Ieder die geloofde vanaf Handelingen 2 had deel aan de volle gevolgen van het kruiswerk (want Christus was verheerlijkt, een bewijs van Gods volkomen goedkeuring van het werk op het kruis), alleen wisten ze dat nog niet ten volle tot aan Paulus. Hij bediende de gelovigen door hen het geheimenis te leren van het lichaam van Christus, Jood en heiden samen in Christus tot een nieuwe mens geschapen, onlosmakelijk met elkaar verbonden. Nogmaals, dat dit niet gelijk wordt genoemd, wil niet zeggen dat het er niet was. Stefanus, vol van geloof en van de Heilige Geest (Hand6:5), staarde naar de hemel en zag de heerlijkheid van God (Hand7:55). Is dit wezenlijk niet hetzelfde als wat Paulus later schrijft over het aanschouwen van de heerlijkheid van de Heer in 2Kor3:18?

Deze leer zegt ook: Vinden we in het boek Handelingen Jezus als hoofd van zijn lichaam of als de Koning van de Joden? Ze noemen het boek Handelingen dan ook het ‘tussenboek’. De Heer Jezus wordt ons gepresenteerd in Mattheüs, Markus en Lukas als de Koning van Israël, in de brieven van Paulus als de verheerlijkte Heer in de hemel, hoofd van het lichaam. Wat is Hij dan in het boek Handelingen vragen zij zich af, beide? Nu is het wel erg eenvoudig om te stellen dat de Heer Jezus alleen als Koning van Israël wordt gepresenteerd in de drie synoptische evangeliën (want Hij is daar immers ook Degene die de Vader openbaart, Mat11:27 en de gemeente aankondigt, Mat16:18), maar is Hij niet het hoofd van de gemeente in het boek Handelingen? Werden niet nogmaals zij die geloven ‘de Heer toegevoegd’ (Hand5:14)? Waar was die Heer toen? Immers in de hemel. Ze werden dus aan een hemelse Heer toegevoegd, niet aan een aardse en dus niet aan de (aardse) Koning van Israël! Bovendien bleven zij volharden, niet in de leer van het Oude Testament, maar in de leer van de apostelen (Hd2:42) en ook in ‘de gemeenschap’ welke blijkens 1Ko1:9 en 2Ko13:13 de ‘gemeenschap van zijn Zoon’ is en de ‘gemeenschap van de Heilige Geest’.

Het woord ‘lichaam van Christus’ komt niet voor in Handelingen, maar de werkelijkheid ervan vinden we overal! Ze waren eendrachtig, deelden alles, braken brood, verkondigden de Heer, waren één met elkaar in alles. De Geest die in Hand2 kwam ‘vulde het hele huis’ (Hand2:2) een aanwijzing over het huis van God, de gemeente die een woonplaats is van God in de Geest (Ef1:21-22). Het feit dat er dit hoofdstuk profetieën worden geciteerd door Petrus, associeert deze leer met de conclusie dat het ‘dus’ in dit boek nooit kan gaan over de gemeente, want deze was immers een verborgenheid in het Oude Testament en dus geen onderwerp van profetie. Maar de profetie die door Petrus in Handelingen 2 wordt aangehaald (uit Joël) is niet bedoeld om de gemeente aan te kondigen, maar de komst van de Geest, wat helemaal geen geheimenis was. Dat door de profetie van Joël te citeren Petrus zou bedoelen dat het koninkrijk waar Joël over spreekt zou aanbreken is niet wat hij daar bedoelt. Hij zegt dat het wezen van dit komende koninkrijk, dus de aanwezigheid van de Heilige Geest, nu realiteit was geworden. We zien het christendom zich manifesteren in Handelingen (en niet een ‘nieuw’ Jodendom volgens het nieuwe verbond), een hemelse realiteit vormgegeven in Joodse gelovigen die uiterlijk nog niet volkomen los waren gekomen van het Joodse systeem. Maar zoals Stefanus de Jood naar de hemel staarde zo leefden zij uit de kracht van de Heilige Geest en dit is hetzelfde als uit de verhoogde Heer.

Dan is er nog de schijnbare moeilijkheid van Hand1:8 waar de Heer tegen de elf discipelen zegt dat zij zijn getuigen moesten zijn ‘tot aan het einde van de aarde’. De ‘mid acts’ aanhanger zegt: ‘Deze discipelen beleven in Jeruzalem en Paulus ging naar de volken, dus is het duidelijk dat hij degene was die het lichaam van Christus begon in zijn uitzending’. Het probleem is steeds weer de conclusies die worden getrokken aan de hand van wat er niet staat i.p.v. wat er wel staat. Want blijkens Gal2:9 was er een algemene (niet strikte) verdeling van de werkgebieden want Paulus schrijft ‘opdat wij naar de volken en zij naar de besnedenen gingen’. Paulus schrijft duidelijk dat er maar één evangelie is in Gal1:6-7 maar de ‘mid acts’ aanhangers lezen twee evangeliën in Gal2:7! Men leert dat pas als men in Paulus’ evangelie gelooft, dán pas wordt iemand lid van het lichaam van Christus. Dit is mijn allergrootste bezwaar tegen deze leer en maakt dat het een dwaalleer is. Men maakt scheiding tussen het evangelie dat de Heer en de twaalf brachten en dat van Paulus. Dat hij spreekt over ‘mijn evangelie’ wil niet zeggen dat dit evangelie anders is dan dat wat Petrus bracht, of Johannes wat eeuwige redding en hemelse zegeningen betreft, maar dat Paulus bepaalde elementen mocht openbaren van dat evangelie, zie hier. Dat de elf discipelen in Hand1:8 trouwens ook gezien worden als vertegenwoordigers zijn van het hele getuigenis van God in de wereld ontgaat deze aanhangers van de ‘mid acts’ visie. Bovendien zijn de twaalf wel degelijk de wereld ingegaan blijkt ook uit het feit dat Petrus in ‘Babylon’ (Rome) was in 1Pet5:13 en dat Johannes in Asia een werkgebied had onder de zeven gemeenten daar blijkens Op1.

Nu zouden velen zeggen: ‘Wat maakt het eigenlijk nu uit? Dit is maar een detail waarover sommigen anders denken’. Ik zal proberen aan te tonen waarom ik denk dat deze leer toch een verkeerde en schadelijke invloed heeft. Want allereerst is deze leer m.i. een aantasting van het verlossingswerk van Christus. Als het namelijk waar is dat de periode van het lichaam van Christus begon bij de apostel Paulus, dan deelden Petrus en de overige elf apostelen dus niet volledig in de gevolgen van het kruiswerk van onze Heer. Ze waren op grond van hun geloof niet ‘leden van Christus’ (1Ko6:11). En dat zou betekenen dat God een ieder die gelooft voordat Paulus werd uitgezonden, niet de volle gevolgen van het kruiswerk volkomen zou toerekenen! Toch schrijft Petrus zelf later over een ‘onvergankelijke, onbevlekte en onverwelkelijke erfenis, in de hemelen weggelegd’ (1Pet1:4). Dit komt exact overeen met Paulus’ woorden in Kol1:5 waar hij schrijft over ‘de hoop die voor u is weggelegd in de hemelen‘. Zo noemt Paulus de ‘eeuwige heerlijkheid’ die deel is van de gelovigen in 2Tim2:10 en gebruikt Petrus exact dezelfde uitdrukking in 1Pet5:10. Wanneer is Petrus dan overgegaan van het mindere naar het meerdere?

Naast een miskenning t.o.v. het werk van onze Heer aan het kruis brengt deze leer soms een vorm van hoogmoed en vaak verdeeldheid met zich mee.  Zoals sommigen van de Korinthiërs zeiden ‘Ik ben van Paulus’ (1Kor1:12), zo zien we dit ook bij hen die deze leer aanhangen. Sommigen gaan nog verder (de ‘ultra-bedelingenvisie’ zie hier) en denigreren grote gedeelten van het Nieuwe Testament. Hoewel er wordt gezegd dat we van de brieven van Petrus, Johannes, Jakobus en Judas ‘veel kunnen leren’, beschouwen ze deze als ‘niet voor het lichaam van Christus’. Alleen de brieven van Paulus (en in sommige extreme varianten van deze leer, de ‘ ultra-bedelingenvisie’ de vier gevangenisbrieven Efeziërs, Filippenzen, Kolossenzen en Filémon) zijn alleen voor hen die tot het lichaam van Christus behoren. Ik ga hier nu niet dieper op in, maar in iedere brief van Paulus kunnen we zien dat hij iets van de unieke eenheid van de gemeente met de verheerlijkte Heer weergeeft.

Zorgelijk vind ik ook, dat zij ook de woorden van onze Heer Jezus minder lijken te achten dan de brieven van Paulus. De Heer sprak niet over het lichaam van Christus en dat grijpen zij aan om het onderwijs van de Heer Jezus te betrekken vooral op de Joden (‘Ik zal mijn gemeente bouwen’ uit Mt16:18 gaat dan volgens hen over de Joodse gemeente en niet over ‘het lichaam’). Zo zien zij ook het prachtige onderwijs van bijv. Johannes 15 over de wijnstok en de ranken als ‘niet voor ons, maar voor de gelovige Joden’. Dit terwijl er duidelijk staat in Joh15:1 dat de Vader de landman is die met de ranken bezig is (15:2). De Vader is tot wie wij zijn gebracht, want ook Paulus schrijft in Ef2:18 en 3:12 dat wij toegang tot de Vader hebben. De waarheid is dat het blijven van de ranken in de wijnstok exact hetzelfde is als de leden die zijn verbonden met het Hoofd in de hemel zoals beschreven in Ef4:16 en Kol2:19! Er is in Johannes 15 weliswaar sprake van verantwoordelijkheid om in de wijnstok te blijven, maar in feite zegt Paulus ook ‘als u namelijk blijft, in het geloof, gegrond en vast’ zie Kol1:23. Het hele punt van verantwoordelijkheid van de gelovigen wordt in deze leer stap voor stap overboord gegooid. Men bekijkt alles vanuit Gods genade en concludeert dan bijvoorbeeld ook dat we ‘onze zonden niet meer hoeven te belijden, want die zijn al vergeven’, volkomen voorbijgaand aan het verschil tussen positie (we zijn vergeven) en relatie (belijdenis van zonden om in een gezonde relatie met God te blijven).

Dat de eerste gelovigen allemaal Joden waren is correct. Dat zij door het geduld van God, nog niet ten volle los waren van de Joodse godsdienst klopt ook. Maar sinds de verwoesting van de tempel in 70 na Chr. en dat wat er geschreven staat in de brief aan de Hebreeën, weten we dat ook de Joodse gelovigen moesten leren uiteindelijk af te zien van dit uiterlijke systeem. Dit neemt niet weg dat zij allen vanaf het begin ten volle deel hadden aan de hemelse zegeningen omdat Gods gerechtigheid dit o.g.v. het kruiswerk ‘verplicht’ was te doen. Zó bijzonder heeft God de Vader dit werk op het kruis gewaardeerd dat Hij een ieder die gelooft in de volle genade laat delen. Petrus noemt Hem dan ook ‘De God van alle genade’ in 1Pet5:10 en Johannes zegt dat ‘wij allen’ uit zijn volheid hebben ontvangen ‘genade op genade’ (Joh1:16). Paulus leert overduidelijk dat zowel Jood als heiden samen tot één lichaam zijn gedoopt (1Kor12:13). De Heer Jezus vereenzelvigt de gelovige Joden die werden vervolgd door Saulus met Zichzelf door te zeggen: ‘Saul, Saul, waarom vervolg je Mij?’ (Hand9:4). Hierin zien we dat Saulus het lichaam van Christus vervolgde, want de gelovige Joden vervolgen blijkt hetzelfde te zijn als Christus vervolgen. Bovendien maakt Paulus zelf duidelijk dat het geloof er al vóór hem was (Gal1:23) en nog meer bijzonder, dat er vóór hem als gelovigen ‘in Christus’  waren, hét grote kenmerk van de leden van het lichaam van Christus.

Groet Andrónicus en Junias, mijn verwanten en medegevangenen, die vermaard zijn onder de apostelen, die ook vóór mij in Christus zijn geweest. Rom16:7

Mocht u in deze leer geïnteresseerd zijn, hoop ik u gewezen te hebben op de onjuistheid ervan. Ga ook niet mee met de neiging tot ‘twistziekte en woordenstrijd’ die eventueel door sommigen die deze leer aanhangen uitlokken (1Tim6:4). Voegt u naar de gezonde woorden van onze Heer Jezus (1Tim6:4) en van Paulus (2Tim1:13). Zij die deze leer aanhangen zijn uiteraard onze broeders en zusters, maar hun leer leidt tot verwarring (meestal wijzen zij de waterdoop af als niet behorend tot het christendom) in de uitleg van de Bijbel en meestal tot verwijdering, afscheiding en scheurmakerij. Het is daarom naar mijn diepste overtuiging een verkeerde leer,  een dwaalleer die onderscheid maakt tussen gelovige Joden en heidenen (en dus ontkent het het ene lichaam), tussen het evangelie dat Petrus bracht en dat Paulus bracht (ondanks nuanceverschillen leerden beiden redding door geloof alleen), en tussen brieven uit het Nieuwe Testament die meer relevant zijn voor het lichaam van Christus dan andere. Het kost veel geestelijke energie deze leer te weerleggen. Wees gewaarschuwd en keer je van deze leer af. Richt je op de Heer Jezus en alle zegeningen in Hem. Want voordat je het weet ben je bezig met randzaken en inlegkunde die de aandacht van Hem wegtrekken.