Simeon heeft verhaald hoe God in het eerst erop heeft toegezien uit de volken een volk aan te nemen voor zijn naam. Hand.15:14
Zoals ik in diverse artikelen en preken/lezingen op deze website betuig, is dat God twee verschillende volken heeft en daarmee twee onderscheiden wegen gaat. Het ene volk is het aardse Israël en het andere volk is de gemeente van Christus. Beiden hebben ook een verschillende toekomst. Deze dingen zijn alleen te begrijpen als men de bedelingen onderscheidt waarin de HEERE God werkzaam is.
Nu is er, zeker de laatste jaren, behoorlijk wat weerstand tegen deze visie. In dit artikel zal ik een aantal argumenten van de tegenstanders van deze Bijbelse zienswijze onder de loep nemen in de hoop dat de lezer gaat zien hoe zwak deze eigenlijk zijn. Dikgedrukt vindt u het desbetreffende argument, waarna ik het Bijbelse antwoord naar mijn inzicht geef. Het is hierbij altijd belangrijk elkaar goed te berijpen als het gaat om het gebruik van Bijbelse terminologie en begrippen. Er IS grote overeenkomst tussen de gelovigen uit het Oude- en Nieuwe Testament. In die zin is er één groep mensen die behouden wordt, maar waar de Bijbel nooit over spreekt als over één volk. Beiden delen in hetzelfde heil door het bloed van dezelfde Messias, hebben beiden dezelfde geestelijke vader (Abraham) en hebben beiden deel aan hetzelfde verbond. Dit is echter wat anders dan:
A: Het grote verschil tussen het aardse volk Israël en de gemeente van God. Het eerste volk bestaat uit natuurlijke nakomelingen, het tweede uit geestelijke.
B: Het verschil in zegeningen tussen de gelovigen uit het Oude- en van het Nieuwe Testament. Alleen de laatste groep is verbonden met een mens in de hemel.
Wij betogen dat het Nieuwe Testament een fundamenteel andere visie uitdraagt: een Christocentrische hermeneutiek waarin de beloften aan Israël hun vervulling vinden in de ene, verenigde gemeente van Christus.
Alsof de bedelingen-leer geen ‘Christocentrische’ hermeneutiek hanteert! Dat de vervulling van Gods beloften allemaal zijn vervuld in de gemeente is precies dezelfde dwaling als ik in dit artikel heb weerlegd over de verdraaiingen van ds. Guijt over deze kwestie. Door dit te beweren gaat men volledig voorbij aan de hele context van deze beloften, namelijk dat het een letterlijk land, een letterlijke tempeldienst en letterlijke grenzen op aarde betreft. Zo heeft God het beloofd en wij hebben niet het recht deze zaken anders in te vullen en daarmee het woord van God te verdraaien!
En dit is de grens van het land: aan de noordzijde: van de Grote Zee, in de richting van Hethlon [tot] waar men in Zedad komt: Hamath, Berotha, Sibraïm, dat tussen de grens van Damascus en de grens van Hamath ligt; Hazar-Hattichon, dat bij de grens van Havran ligt. De grens loopt dus van de zee [tot] Hazar-Enon, [aan] de grens van Damascus en noordelijk, naar het noorden en de grens van Hamath. [Dat] is dan de noordzijde. En de oostzijde moet u afmeten van tussen Havran en Damascus en van tussen Gilead en het land Israël langs de Jordaan, vanaf de grens naar de Oostelijke Zee. [Dat] is dan de oostzijde. En de zuidzijde naar het zuiden: vanaf Tamar tot het water van Meribath-Kades, [langs] het beekdal naar de Grote Zee. [Dat] is dan de zuidzijde naar het zuiden. En de westzijde: de Grote Zee van de grens tot recht tegenover Lebo-Hamath. Dat is de westzijde. Ez.47:15-20
Een cruciaal argument tegen een strikte scheiding van twee “bedelingen” (één aards, één hemels) is de betekenis van het Griekse woord sugkleronomos (mede-erfgenamen), gebruikt door Paulus in Romeinen 8:17 en Efeze 3:6. Dit woord is niet slechts een eretitel; het duidt op een juridische status van gezamenlijk eigenaarschap. In de antieke context impliceert sugkleronomos dat de erfgenamen tot hetzelfde corpus (dezelfde erfenis) behoren. Als God twee totaal gescheiden plannen en erfenissen zou hebben – een aardse voor Israël en een hemelse voor de Kerk – dan vervalt de juridische betekenis van ‘mede-erfgenaam’. Een erfenis kan immers alleen worden verdeeld wanneer de partijen in diezelfde erfenis samenkomen. Indien de twee groepen eeuwig gescheiden blijven in hun bestemming, kunnen zij bij definitie geen sugkleronomos zijn. De Bijbelse realiteit is dat zowel Jood als heiden in Christus worden samengevoegd tot één erfenis.
Dit argument klinkt indrukwekkend maar snijdt geen hout. Als Paulus spreekt over mede-erfgenamen dan spreekt hij over gelovigen uit de Joden en uit de volken van na het kruis, die samen een erfenis hebben die niet op de aarde is (zoals we hierboven in Ezechiël lezen over het herstelde Israël). Het gaat hier over een erfenis (hoop) met Christus, ‘in de hemelen weggelegd voor u’, zie Kol.1:5; 1Pet.1:4, ‘het erfdeel van de heiligen in het licht’, Kol.1:12.
Dit is niet het koninkrijk op aarde of het aardse deel van het koninkrijk, dat er zeker ook zal zijn, maar het hemelse deel van het koninkrijk (zie ook 2Tim.4:18). Wanneer de Heer Jezus openbaar regeert over hemel en aarde, mogen alle gelovigen die zijn gestorven of opgenomen voordat het vrederijk aanbreekt, vanuit de hemel met Hem regeren over allen op aarde en die in de hemel zijn (engelen). Deze hemelse hoop betreft ook de gelovigen uit het Oude Testament (Heb.11:16), maar alleen voor de gemeente van God geldt dat zij ‘medeleden’ of ‘mede-ingelijfden’ zijn in dat ene lichaam van Christus, de gemeente van God. Als de gemeente slechts een toevoeging zou zijn aan het ene vol dat de beloften van God over de erfenis in het Oude Testament zou beërven, waarom spreekt Paulus dan over een zaak dat alleen aan hem was gegeven openbaar te maken (Ef.3:2-7)???
De dispensationalistische eis voor een ‘letterlijke’ interpretatie van Oude Testamentische profetieën negeert hoe het Nieuwe Testament Zelf het Oude Testament uitlegt. De apostelen hanteren een Christocentrische hermeneutiek.
Dit is niet waar, want het ligt er maar net aan welk gedeelte men neemt. Paulus past bepaalde gedeelten geestelijk toe (denk aan de steenrots uit 1Kor.10:4), maar als het gaat om profetische zaken dan doet hij dit nooit. In Rom.9 citeert hij bepaalde gedeelten om aan te tonen dat God zijn volk Israël, ondanks hun ongehoorzaamheid nooit opgeeft omwille van zijn eigen barmhartigheid.
Zoals Hij ook in Hosea zegt: ’Ik zal niet-mijn-volk mijn volk noemen, en de niet-geliefde geliefde’.‘En het zal zijn op de plaats waar tot hen gezegd werd: U bent mijn volk niet, daar zullen zij zonen van de levende God worden genoemd’. En Jesaja roept over Israel uit: ’Al was het getal van de zonen van Israel als het zand van de zee, het overblijfsel zal behouden worden. Rom.9:25-27
Galaten 3:16 (Het Enkelvoudige Zaad): Paulus wijst erop dat de belofte aan Abraham niet in het meervoud (aan vele nazaten) werd gegeven, maar in het enkelvoud (aan het ‘Zaad’). Hij concludeert: “Dat is Christus”. Hiermee verplaatst Paulus de vervulling van de fysieke etniciteit naar de persoon van Christus.
Dit is een regelrechte drogreden. Paulus beschrijft hier niet de vervulling van de belofte maar de voorwaarde daartoe, enkel en alleen door het geloof in Christus. Dat betekent alle hemelse zegeningen in Christus voor de gemeente en de vervulling van de beloften voor het Israël van God straks. Er is geen zegen buiten geloof in Christus. De gemeente gelooft zonder te zien (1Pet.1:8), Israël zal geloven zodra zij Hem zien (Zach.12:10; Op.1:7).
Johannes 2:19 (De Ware Tempel): Jezus Zelf breekt de “letterlijke” verwachting van een fysiek gebouw af. Hij identificeert Zichzelf als de Tempel. Wanneer Paulus vervolgens de gemeente de “Tempel van de Heilige Geest” noemt, volgt hij de lijn van Christus: de fysieke tempel was de schaduw; Christus en Zijn lichaam zijn de realiteit. Een terugkeer naar fysieke tempeloffers is een theologische regressie naar de schaduw.
Wederom wordt ook deze tekst verkeerd begrepen. De Heer breekt helemaal niet de letterlijke verwachting van het gebouw af, want deze wordt immers levendig beschreven in de laatste hoofdstukken van Ezechiël. Nergens beweert de Bijbel dat de fysieke tempel er niet meer komt, sterker nog, 2Thes.2:4 beschrijft de antichrist in ‘de tempel van God’. Daarna zal er nóg een tempel komen waarvan Zach.6:12 zegt ‘Hij zal de tempel van de HEERE bouwen’. De tempel vandaag is de gemeente, zoals Paulus schrijft in Ef.2:22 en 1Kor.3:16. Dat een terugkeer naar fysieke tempeloffers ‘een theologische regressie naar de schaduw is’, geldt zeker voor vandaag maar niet voor het komende vrederijk waar deze tempeldienst een gedenken zal zijn aan het offer van de Heer Jezus (Ez.45-46), net zoals de gemeente dat in deze tijd doet in het avondmaal.
De Bijbel leert dat de “tussenmuur” definitief is afgebroken (Efeze 2:14). Het dispensationalisme stelt dat deze muur binnen de gemeente is afgebroken, maar dat de nationale privileges van Israël blijven bestaan. Paulus spreekt echter over de creatie van een “één nieuwe mens”. Er is in de eschatologie van het Nieuwe Testament geen sprake van twee gescheiden toekomsten, maar van de totale eenheid van alle gelovigen in de vernieuwde schepping (Openbaring 21).
Ook hier weer een door elkaar halen van diverse begrippen en betekenissen. De tussenmuur is in deze tijd afgebroken, want in Christus in ‘noch Jood noch Griek’ (Gal.3:28). Beiden zijn tot een nieuwe mens geschapen in Christus, zie verder hier. In deze tijd zijn er geen ‘nationale privileges’ van Israël. God heeft allen onder de zonde besloten (Rom.3:9,19). Er is geen sprake van ‘de totale eenheid van alle gelovigen in de nieuwe schepping’ want er wordt onderscheid gemaakt tussen de tabernakel van God, de bruid (de gemeente) en de overige mensen (gelovigen uit andere tijden dan de tijd van de gemeente).
En ik zag de heilige stad, het nieuwe Jeruzalem, uit de hemel neerdalen van God, gereed als een bruid die voor haar man versierd is. En ik hoorde een luide stem vanuit de troon zeggen: Zie, de tabernakel van God is bij de mensen en Hij zal bij hen wonen, en zij zullen zijn volk zijn, en God Zelf zal bij hen zijn, hun God. Op.21:2-3
Als de gemeente (verbonden met een mens in de heerlijkheid) is opgenomen zal God met Israël op aarde verder gaan, zo wordt het ook door Daniël beschreven in Dan.9:24-27. De zeventig weken zijn nog niet voorbij, de 69 wel.
Zeventig weken zijn er bepaald over uw volk en uw heilige stad, om de overtreding te beëindigen, de zonden te verzegelen, de ongerechtigheid te verzoenen, om een eeuwige gerechtigheid [tot stand] te brengen, om visioen en profeet te verzegelen, en om de Heiligheid van heiligheden te zalven. Dan.9:24
Het dispensationalisme tracht Gods trouw aan Israël te bewaren door strikte afbakeningen te creëren. De Bijbelse weg is echter krachtiger: God is trouw aan Zijn beloften door deze in Christus te vervullen voor iedereen die bij Hem hoort. Het concept van sugkleronomos bewijst dat de erfenis ondeelbaar is. Wie vasthoudt aan een aardshemels dualisme, ontkent de radicale kracht van Christus’ overwinning, waarin Hij Jood en heiden niet alleen naast elkaar plaatst, maar in Zichzelf tot één lichaam heeft gemaakt.
De Bijbel zelf spreekt van strikte afbakeningen. De wet en de profeten zijn tot op Johannes, Luk.16:16. Ik zal mijn gemeente bouwen, Mat.16:18. Maar voordat het geloof kwam, waren wij als gevangenen onder de wet, Gal.3:23. Gods trouw aan zijn beloften aan Israël is iets totaal anders dan Zijn trouw aan de ‘beloften in Christus’ (Ef.3:6), de belofte van het eeuwige leven (1Joh.2:25). Deze laatste beloften behoren tot Zijn eeuwige voornemen (Ef.3:9,11), welke Hij heeft voorgenomen in Zichzelf aangaande Zijn Zoon die pas werd geopenbaard in de ‘volheid van de tijd’ (Gal.4:4). De Bijbel zelf spreekt van een aards en hemels rijk, zoals voorgesteld in Op.21:9-10 ‘het Jeruzalem dat uit de hemel neerdaalt bij God vandaan’ tegenover het Jeruzalem op aarde waar de Koning zal heersen ‘over heel de aarde’ (Zach.14:9):
Maar [Jeruzalem] zal verheven worden en op zijn plaats bewoond blijven, van de poort van Benjamin af tot de plaats van de vroegere poort toe, tot aan de Hoekpoort, en [van] de Hananeëltoren [af] tot aan de perskuipen van de koning. Zij zullen erin wonen, een ban[vloek] zal er niet meer zijn: Jeruzalem zal onbezorgd wonen. Zach.14:10b-11
Er zijn uiteraard nog meer tegenargumenten, maar deze heb ik hier benoemd om aan te tonen hoe men omgaat met dat wat de Bijbel leert. Ten diepste is het een ontkenning van Gods beloften aan een aards volk en een niet begrijpen van het unieke van de gemeente van God, het lichaam van Christus dat onderscheiden is van alle andere groepen van gelovigen en tot in alle eeuwigheden de volmaakte uitdrukking zal zijn van Zijn Zoon. Het is niet voor niets dat Paulus daarom bidt voor ‘verlichte ogen van het hart opdat u weet‘ (Ef.1:18)!