Oscar Lohuis is een bekende spreker en ook één van de gezichten van ‘Christenen voor Israël’. Naast degelijk en goed Bijbelonderwijs brengt hij ook een boodschap waarbij hij het ware karakter van het christendom aantast door Joodse beginselen toe te voegen. Iedere keer verbindt hij de gemeente met het aardse Israël. Zijn terechte afkeer van het toenemende antisemitisme heeft daardoor zijn zicht op de hemelse dingen vertroebeld. Zo verscheen er eind juni een artikel in het krantje ‘Israël actueel’ waarin Lohuis beweert: ‘Het Bijbelse christendom is Joods’. Ik wil zijn artikel hier bespreken om duidelijk te maken wat de Bijbel leert over deze dingen, namelijk dat het Bijbelse christendom niet Joods is, maar hemels! Eerder schreef ik al hier, hier en hier over dit probleem. Nu wil ik inzoomen op de, op het oog, mooiklinkende redeneringen van Lohuis zoals in dit artikel zijn weergegeven.

Lohuis begint het artikel met de volgende stelling:

In het boek Handelingen komen we diverse preken van de apostelen tegen. Wanneer wij deze preken bekijken, worden we er onder andere bij bepaald dat de apostelen Joden waren.

(De tweede helft van het boek Handelingen gaat helemaal niet over de twaalf apostelen, maar over Paulus, maar dat laat ik nu even rusten). Volgens Lohuis stond Petrus, toen hij zijn toespraken hield tegenover de Joden, daar ‘niet ineens als christen’. Dus het feit dat Petrus daar als Jood predikte, wil volgens Lohuis zeggen dat het Bijbelse christendom Joods van aard is. Welnu, laten we eens kijken of dezer stelling klopt. Om te beginnen is de uitdrukking ‘christen’ een benaming die anderen aan de gelovigen gaven vanwege het getuigenis dat van hen uitging.

En het gebeurde dat zij een heel jaar in de gemeente bijeenkwamen en een aanzienlijke menigte leerden en dat de discipelen het eerst in Antiochië christenen werden genoemd. Hand.11:23

Hetzelfde vinden we in 1Pet.4:16: Als hij echter als christen lijdt’. Het gaat ook hier om het getuigenis dat iemand heeft, niet in de eerste plaats om hoe God de persoon ziet die gelooft. Hoe ziet God dan een gelovige? Zodra iemand in de Heer Jezus gelooft, is hij/zij opnieuw geboren en een nieuwe schepping, overgegaan van een staat voor God ‘in het vlees’ naar ‘in de Geest’.

Gezegend zij de God en Vader van onze Heer Jezus Christus, die naar zijn grote barmhartigheid ons heeft wedergeboren doen worden tot een levende hoop door de opstanding van Jezus Christus uit de doden, 1Pet.1:3

Daarom, als iemand in Christus is, is hij een nieuwe schepping; het oude is voorbijgegaan, zie het is alles nieuw geworden. 2Kor.5:17

Maar u bent niet in het vlees maar in de Geest, als inderdaad Gods Geest in u woont; Rom.8:9a

Petrus was dus, toen hij aan de Joden predikte, in de eerste plaats een nieuwe schepping, het oude (Jood-zijn) was voorbij wat God betreft. Hij was opnieuw geboren (in dus een nieuwe familie) en ‘in de Geest’. Dit was zijn positie voor God en de Bijbel zegt duidelijk dat daarin ‘geen Jood of Griek’ is, Gal.3:28. Zijn oproep aan de Joden was om zich te laten behouden van dit verkeerde (‘perverse’ in het Engels, of ‘corrupte’) geslacht, het Israël ‘naar het vlees’, dat immers de Zoon van God had gekruisigd, Hand.2:23,40. De Heer had Zelf al gezegd dat Hij de schapen uit de stal (het Israël naar het vlees) naar buiten zou leiden, Joh.10:1,3. Paulus roept dan ook op om niemand meer te kennen ‘naar het vlees’, 2Kor.5:16. Petrus was dus helemaal geen Jood meer wat God betreft, maar een burger van een rijk in de hemelen, Fil.3:20. Al deze kenmerken passen bij een christen die niet onder de wet is, maar onder de genade (Rom.6:14), verbonden met een mens, Christus, in de hemel.

Vervolgens beweert Lohuis in het artikel:

Maar ook nadat de discipelen van Jezus christen werden genoemd, bleven de Joodse gelovigen in Jezus Jood.

Ook dit is niet juist. Ze gedroegen zich nog een tijd als Joden, ‘ijveraars voor de wet’ (Hand.21:20) wat iets heel anders is. Hen moest nog duidelijk worden gemaakt wat hun ware roeping was. Petrus moest door een visioen uit de hemel duidelijk worden gemaakt dat er iets nieuws was ontstaan, Hand.10:11v.. De brief aan de Hebreeën leert de Joodse gelovigen volledig af te zien van de Joodse gebruiken. God stond tot het jaar 70 toe dat deze gebruiken onder de Joodse gelovigen nog als leidend werden gezien.

Laten wij daarom het woord van het begin van Christus laten rusten en voortgaan tot het volkomene. Heb.6:1

‘Het woord van het begin van Christus’ duidt op het Oude Testament, waar de schaduwen van Hem spreken (deze Joodse zaken wordt in vers 2 van Heb.6 genoemd). God wilde de Joodse gelovigen brengen tot ‘het volkomene’ en dat is Christus in de hemel en daarbuiten niets anders!

Dan beweert Lohuis dat de ‘enige Bijbel’ die Jezus en de Joodse gelovigen tot hun beschikking hadden, de Tenach was, het Oude Testament. Hiermee suggereert Lohuis dat de eerste gemeenten uitsluitend onderwijs ontvingen vanuit het Oude Testament. Dit is niet waar. Welk onderwijs namen de eerste gelovigen in het boek Handelingen namelijk tot zich? ‘Zij bleven volharden in de leer van de apostelen’, Hand.2:42. In de eerste gemeenten waren naast apostelen ook profeten die, net als de apostelen, de gedachten van God over de nieuwe situatie van het christendom doorgaven.

En Judas en Silas, die zelf ook profeten waren, vertroostten de broeders met vele woorden en versterkten hen. Hand.15:32

En hij ging Syrië en Cilicië door en versterkte de gemeenten. Hand.15:41

Deze gave van ‘profetie’ (1Kor.12:10) was erg belangrijk. Daarom is de gemeente gebouwd op het fundament van apostelen en profeten (Ef.2:20) en schrijft Paulus de profetieën niet te verachten in 1Thes.5:20. Bovendien circuleerden al vrij vroeg in de gemeenten brieven waar Goddelijk gezag aan werd toegekend. Paulus citeert Lukas in 1Tim.5:18 en Petrus kent aan de brieven van Paulus hetzelfde gezag toe als ‘de overige Schriften’ in 2Pet.3:15-16. De Heer Jezus leefde trouwens ook niet uitsluitend vanuit de Joodse wet, want Hij had ook het gebod van Zijn Vader (Joh.10:18).

Dan volgt een conclusie van Lohuis:

De roeping van de apostelen om Jezus als zijnde de Messias te volgen en te verkondigen, is dus geen breuk met Israël, maar een voortzetting van Gods weg met Israël.

Deze opmerking ontkracht volkomen het ware karakter van het christendom. In de eerste plaats verkondigden de apostelen Hem niet uitsluitend als de aardse Messias (wat niets anders zou zijn als het evangelie van het koninkrijk) maar als de gekruisigde, opgewekte en verheerlijkte Heer en Christus in de hemel waartoe Israël zich moest bekeren (Hand.2:36,38). Zouden ze dat niet doen, zou er ook voor hen, geen behoudenis zijn.

En in niemand anders is de behoudenis; want er is ook onder de hemel geen andere naam onder de mensen gegeven waardoor wij behouden moeten worden. Hand.4:12

Let op het woordje ‘wij’. Het gaat over het Joodse volk dat vanwege het doden van ‘de Vorst van het leven’ (Hand.3:15) onder het oordeel van God stond. In de tweede plaats vergeet Lohuis volledig de plaats van de apostel Paulus. Als Gods weg met Israël ‘gewoon’ zou zijn voortgezet, waarom is hij dan als dertiende apostel erbij gevoegd? De reden is dat hij de ware, christelijk positie van de gemeente als het lichaam van Christus geopenbaard kreeg en als zijn evangelie mocht onderwijzen aan de gelovigen (Rom.1:15; Ef.3:1-6). Daarom verkondigt hij hem in de synagogen niet als de Messias maar als de Zoon van God (Hand.9:20), als ‘de Heer Jezus Christus’ (Hand.28:31) de Persoon in Wie God volkomen is geopenbaard inclusief alle hemelse zegeningen voor de zijnen (Ef.1:3).

In de derde plaats is Gods weg met het volk Israël iets totaal anders dan uit dit volk enigen behouden, een ‘overblijfsel naar de verkiezing van zijn genade’ (Rom.11:5). God zal in de zeventigste jaarweek, vlak voor de komst van de Heer Jezus met alle heiligen, Zijn weg met het volk Israël voortzetten, zoals Dan.9 ons dat duidelijk laat zien.

Zeventig weken zijn er bepaald over uw volk en uw heilige stad, om de overtreding te beëindigen, de zonden te verzegelen, de ongerechtigheid te verzoenen, om een eeuwige gerechtigheid [tot stand] te brengen, om visioen en profeet te verzegelen, en om de Heiligheid van heiligheden te zalven. Dan.9:24

Daniël wordt door de engel bepaald bij ‘zeven en tweeënzestig weken’, in totaal negenenzestig (483 Joodse jaren) tot aan de dood van Christus.

Na de tweeënzestig weken zal de Messias uitgeroeid worden, maar het zal niet voor Hemzelf zijn. Een volk van een vorst, [een volk] dat komen zal, zal de stad en het heiligdom te gronde richten. Het einde ervan zal zijn in de [overstromende] vloed en tot het einde toe zal er oorlog zijn, verwoestingen [waartoe] vast besloten is. Dan.9:26

Tussen de negenenzestig en de zeventigste jaarweek ligt de periode van de gemeente, een verborgenheid ten tijde van het Oude Testament. Tijdens de laatste zeven jaar zal er een verbond worden gesloten door Israël (de antichrist) met de Europese dictator. Tot die tijd ‘zal er oorlog zijn’.

Hij zal voor velen het verbond versterken, één week [lang]. Halverwege de week zal hij slachtoffer en graanoffer doen ophouden. Over de gruwelijke vleugel zal een verwoester zijn, zelfs tot aan de voleinding, die, vast besloten, uitgegoten zal worden over de verwoeste. Dan.9:27

Dan gaat God verder met het volk Israël, dat tot die tijd onder de machtige bescherming staat van de engel Michaël (Dan.10:13, 12:1). Niets van dit alles vond plaats ten tijde van het boek Handelingen. Daar was de start van de gemeente, de nieuwe mens, los van iedere nationaliteit op aarde. Paulus jaagde naar deze hemelse roeping.

Maar één ding doe ik: terwijl ik vergeet wat achter is en mij uitstrek naar wat voor is, jaag ik in de richting van het doel naar de prijs van de hemelse roeping van God in Christus Jezus. Fil.3:14

Niets van dit alles vinden we bij Lohuis. Volgens hem liggen alle christelijke wortels in het Jodendom. Hij schrijft:

Helaas heeft het christendom vaak veel te veel een harde knip gezet tussen ‘voor Christus’ en ‘na Christus’, alsof Christus kwam om Gods weg met Israël uit te wissen.

De Bijbel leert wel degelijk een duidelijke scheiding tussen voor en na Christus (dat, goed begrepen, helemaal niet betekent dat Gods weg met Israël is ‘uitgewist’) op meerdere plaatsen:

De wet en de profeten zijn tot op Johannes; sindsdien wordt het evangelie van het koninkrijk van God verkondigd en ieder dringt er met geweld binnen. Luk.16:16

Niemand heeft ooit God gezien; de eniggeboren Zoon die in de schoot van de Vader is, die heeft Hem verklaard. Joh.1:18

Maar nu het geloof gekomen is, zijn wij niet meer onder een tuchtmeester; Gal.3:25

Volgens Lohuis is de ‘harde knip’ de reden dat het christendom ‘een bron van Jodenhaat’ is geworden en heeft de kerk ‘veel onschuldig Joods bloed aan haar handen’. Dat is nogal een beschuldiging! Wat naamchristenen in het verleden allemaal hebben gedaan is toch niet hetzelfde als wat in het hedendaagse christendom gebeurt? Er is inderdaad onkunde over Gods plan met Israël en zelf soms een ontkenning daarvan, wat zeer ernstig is.

Volgens mij is de reden van de Jodenhaat geweest (ook bij een Maarten Luther) dat de christenheid (een deel daarvan) zichzelf in de plaats van Israël heeft gesteld, de zogenaamde ‘vervangingsleer’. Hierbij vervallen Gods beloften voor het volk Israël en worden deze allemaal op de Kerk toegepast. Lohuis is (terecht) zo fel gekant tegen deze dwaalleer dat hij iedere vorm van Bijbeluitleg die het christendom in de huidige bedeling voorstelt als de vervanging van het Jodendom, ook ziet als antisemitisme. Deze zienswijze, de gezonde Bijbeluitleg die de verschillende bedelingen onderscheidt heeft echter helemaal niets te maken met haat naar Israël of het afschrijven van Gods plan met dit volk. Het christendom is volgens de gezonde leer tijdelijk in de plaats gekomen van Israël als Gods getuige op aarde (waarbij zij het nog erger hebben verbruid dan Israël). De te ver doorgeslagen liefde (bewondering) voor Israël doet Lohuis helaas uitlegkundig de das om. Hij schrijft zelfs:

Wanneer gaan voorgangers van het christelijke geloof beseffen, dat alles wat ons dierbaar is in ons geloof, bij Israël vandaan komt?

Laat ik hierop reageren met de woorden van de apostel Paulus:

Gezegend zij de God en Vader van onze Heer Jezus Christus, die ons gezegend heeft met alle geestelijke zegening in de hemelse gewesten in Christus, Ef.1:3

Christus was een Jood, maar kwam bij de Vader vandaan, ver voordat Israël bestond was Hij daar. Hij was toen geen Jood, maar de eeuwige Zoon. Geboren uit een vrouw onder de wet was Hij Jood. Nu is Hij in de hemel geen Jood meer, maar de verheerlijkte mens, de Zoon van God. De Bijbel is vooral geschreven door Joodse mannen, maar die waren geïnspireerd door de Geest van God. Alle zegeningen die het christendom kenmerkt komen rechtstreeks uit de hemel, bij Hem vandaan. Israël was slechts een middel, en dat ondanks hun voortdurende ongehoorzaamheid tot op de dag van vandaag. Door de aandacht te vestigen op het middel en niet op de Bron, brengt Lohuis wellicht goedbedoeld, een boodschap die niet het kenmerk draagt van het ware christendom. Dat is niet Joods, maar hemels.

Hij, en ook ‘Christenen voor Israël’ willen eenvoudigweg niet horen dat het huidige Israël voor een tijd niet Gods volk is, Lo-Ammi.

Want het hart van dit volk is vet geworden en hun oren zijn hardhorend geworden en hun ogen hebben zij gesloten, opdat zij niet misschien met hun ogen zien en met hun oren horen en met hun hart verstaan en zich bekeren, en Ik hen gezond maak’. Het zij u dan bekend dat deze behoudenis van God tot de volken is gezonden; zij zullen ook horen. Hand.28:27-28

Daarmee brengt Lohuis de aandacht van de lezers bij een volk op aarde i.p.v. bij een Heer in de hemel, een ‘Christus-plus evangelie’. In plaats van een oproep tot bekering aan de kerk die volgens hem, Israël te veel heeft genegeerd, is bekering op zijn plaats van het leren van de ‘dingen van de aarde’ i.p.v. de ‘dingen van boven’.

Ik ben met Oscar over deze dingen in gesprek geweest, maar helaas komen we niet tot elkaar in deze. Aangezien ik het belangrijk vind de ‘hele raad van God’ (Hand.20:27) te onderwijzen en te ‘strijden voor het geloof dat eenmaal aan de heiligen is overgeleverd’ (Jud.1:3), acht ik het nuttig dit artikel te plaatsen opdat zij die het lezen deze zaken toetsen aan het woord van God.