Zoals ik regelmatig aangeef op deze website, druppelen (soms ‘stromen’) charismatische leringen bijna alle gemeenten en kerken binnen. Dit is een zeer verontrustende ontwikkeling omdat men misleidt wordt t.a.v. de waarheden over met name de Heilige Geest en Diens werk. Het gevolg hiervan is scheefgroei in het geestelijke leven en een gericht zijn op ervaringen en op zichzelf i.p.v. op de Heer Jezus. Steeds vaker horen we bijvoorbeeld dat men bidt tot de Heilige Geest of hem aanroept, o.a. in liederen. Van mijn goede vriend broeder Hugo Bouter kreeg ik toestemming zijn artikel dat hij schreef voor het Bijbelstudieblad ‘Rechtstreeks’ (te vinden op oudesporen.nl) hierover te plaatsen welke u hieronder vindt.

In charismatische en oecumenische kringen is het gebruikelijk om de Heilige Geest rechtstreeks aan te roepen en tot de Geest te bidden om te komen en neer te dalen. Men verwacht dan een nieuwe uitstorting van de Geest. Hieronder volgen enkele Bijbelse argumenten tegen zulke praktijken.

A: Handelingen 2 leert ons dat de Heilige Geest is neergedaald op aarde in antwoord op de verhoging van Christus in de hemel. Dit zijn heilsfeiten, die niet kunnen worden herhaald. Zelfs in de Pinksterboodschap van Petrus in Handelingen 2 wordt de Geest Zelf niet aangeroepen, maar lezen wij: ‘Ieder die de naam van de Heere aanroept, zal behouden worden’ (Hand.2:21). Na bekering en geloof geldt de onvoorwaardelijke en zekere belofte: ‘(…) en u zult de gave van de Heilige Geest ontvangen’ (Hand.2:38). Op die dag werden er ongeveer drieduizend mensen gered, gedoopt en verzegeld met de Geest. In Handelingen 8 werd de gave van de Heilige Geest ook uitgestort op de Samaritanen en in Handelingen 10 op gelovigen uit de heidenvolken. Dit is hier eveneens het resultaat van de prediking van het Woord, niet van het aanroepen van de Geest.

B: De inwoning van de Heilige Geest in de gemeente, die bestaat uit Joden en heidenen, is sindsdien een vaststaand feit dat niet kan worden herhaald. De inwoning van de Geest in de individuele gelovige is realiteit vanaf de bekering. Toen wij geloofd hebben, zijn wij verzegeld met de Heilige Geest van de belofte (Ef.1:13). Dit kan niet worden herhaald, want de Geest blijft met ons en is in ons tot in eeuwigheid (Joh.14:16-17).

C: De vervulling met de Heilige Geest is weer een ander thema. De vervulling met de Geest is wel hernieuwbaar. Het is zelfs een opdracht: ‘(…) maar word (of: wees) vervuld met de Geest’ (Ef.5:18). Die vervulling vindt echter niet plaats door het rechtstreeks aanroepen van de Geest, maar door het wegnemen van eventuele verhinderingen die de reeds aanwezige en inwonende Geest belemmeren en in de weg staan. In Handelingen 4 zien we hoe de gemeente biddend haar stem tot God verheft, en enkele verzen verder lezen we dan: ‘En terwijl zij baden, werd de plaats waar zij waren vergaderd, bewogen; en zij werden allen vervuld met de Heilige Geest’ (Hand. 4:24, 31). Het bewijs van de vervulling met de Geest was toen niet het spreken in vreemde talen, maar vrijmoedigheid om te getuigen: ‘zij spraken het woord van God met vrijmoedigheid’.

D: Volgens Lukas 11:13 wordt de Heilige Geest door de Vader gegeven aan wie Hem daarom vragen, namelijk bij hun bekering en wedergeboorte. Dit is in overeenstemming met Johannes 14 en 16, waar wij zien dat de Geest uitgaat van de Vader en de Zoon en door beide Personen naar de aarde is gezonden. De Geest getuigt nu hier beneden van de verhoogde Christus en wil Hem verheerlijken. De Geest claimt geen eer voor Zichzelf. Hij spreekt ook niet vanuit Zichzelf, maar spreekt wat Hij hoort van de Vader en de Zoon (Joh.16:13vv.). Daarom vinden wij nergens in de Schrift een rechtstreeks gebed tot de Geest, en wordt Hij niet rechtstreeks aangebeden – hoewel Hij God is, evenals de Vader en de Zoon. De Geest houdt Zich om zo te zeggen op de achtergrond. Christenen aanbidden de Vader en de Zoon, die het Lam is geworden dat voor ons is geslacht; en wij doen dit door de Heilige Geest (Ef.2:18; Fil.3:3; Hebr.13:15).

E: In overeenstemming hiermee wordt de komst van de Trooster, de Geest als onze Zaakwaarnemer, in Handelingen 1 omschreven als de belofte van de Vader. Die belofte hadden de discipelen van Christus gehoord en daarom hebben zij ook eendrachtig volhard in het gebed tot de Pinksterdag (Hand.1:4, 14). Zij hebben gebeden om de Geest, maar niet tot de Geest. Voor ware christenen, die de Geest dus al blijvend inwonend hebben, is het gebed ‘Kom, Heilige Geest’ dan ook ongepast. Voor onbekeerden is het eveneens ongepast, want zij moeten zich met berouw over hun zonden tot God wenden en Christus aannemen als hun Heere en Heiland. Daarop zullen zij dan ook de Heilige Geest ontvangen, die immers Gods gave is (vgl. Hand.8:19-20; 10:44-45).

F: De Geest wordt niet meegedeeld door bemiddeling of manipulatie van mensen. De Geest is om zo te zeggen niet los van Christus verkrijgbaar. Het levende water is altijd afkomstig uit de Rots, d.i. Christus (1 Kor.10:4). En wij moeten zoals Mozes spreken tot de Rots, bidden tot Hem, om water in overvloed te krijgen voor het volk van God (Num.20:7-8). Het is legitiem om ook in de eindtijd te bidden voor herleving en opwekking, maar het gevaar van charismatische leringen is dat men uitkomt bij ‘vreemd vuur’ dat niet van God afkomstig is en manifestaties zoals bij de zgn. Toronto blessing, die weinig of niets met de Heilige Geest te maken hebben (vgl. ook Lev.9 en 10).

G: Er is verwarring over de doop met vuur. Het gaat bij dit laatste begrip niet om toewijding, maar om het vuur van het gericht bij de wederkomst van Christus. Hij zal Zijn dorsvloer immers door en door zuiveren, de tarwe in de schuur samenbrengen en het kaf met onuitblusbaar vuur verbranden (Matt.3:11-12). De doop met de Geest vond plaats op de Pinksterdag, de doop met vuur is nog toekomstig en heeft betrekking op het oordeel in de eindtijd. De tongen als van vuur en het talenwonder in Handelingen 2 duiden op het huidige oordeel van verharding dat over het volk is gekomen vanwege de verwerping van de Messias (vgl. 1 Kor.14:20-22). We kunnen zien aan de hand van Leviticus 9 en 10 dat het vuur altijd oordeelsvuur is. Het verteert òf het offer (Lev. 9:24), òf de tegenstanders van Gods woord (Lev.10:2). Dit hoofdstuk leert ons ook de les dat ware aanbidding, eredienst in geest en waarheid, alleen gegrond kan zijn op het volbrachte werk van Christus, die plaatsvervangend voor ons Gods oordeel heeft ondergaan. De zonde van Nadab en Abihu bij de instelling van de offerdienst is te vergelijken met die van Ananias en Saffira in de begintijd van de gemeente – een zonde die ook leidde tot de dood (Hand.5). Het vuur dat door God Zelf was ontstoken, moest altijd blijven branden en mocht niet doven (Lev.6:12-13). Daarom moeten puur menselijke gedachten en ideeën over de eredienst als ‘vreemd vuur’ worden afgewezen.