De hoofdstukken 13-17 vormen een heel bijzonder geheel in het evangelie van Johannes. Ze omvatten de laatste woorden die de Heer Jezus als de Zoon van de Vader sprak tegen zijn discipelen voordat Hij naar Golgotha zou gaan om zijn leven af te leggen voor hen. Hij spreekt met hen over de dingen van de Vader en bereidt hen voor op de tijd, tot aan Zijn komst, dat Hij in deze vijandige wereld afwezig zou zijn. We vinden hier niets over toekomstige rampen, aardbevingen, hongersnoden. Niets over koninkrijken die tegen elkaar op zullen staan of de teloorgang van de tempel van God. Geen woord ook over valse profeten of misleiders, geen woord over de komende tijd van de grote verdrukking, geen discipelen die vragen naar het teken van Zijn komst. Niets ook over de terugkomst van de Messias voor Zijn volk. Het land Palestina, het volk Israël en hun toekomst verdwijnen hier in het niets.
Niet dat deze dingen niet belangrijk zijn, integendeel. Het profetische woord leert ons over de afloop van de zaken op de aarde, en in het bijzonder over de toekomst van het volk Israël. De gemeente is echter een hemels volk, en hier in Joh.14 worden de zegeningen ontvouwd die de Vader in de Zoon heeft bereid. We bevinden ons hier dus op een totaal ander terrein, iets dat velen vandaag niet meer (willen) zien: de hoop van de gemeente van God, de ware christelijke hoop. Deze is, in tegenstelling tot wat velen vandaag leren, iets volkomen anders dan de joodse hoop, het herstel van Israël op aarde.
Het verschil tussen Johannes 14 en Mattheüs 24 is daarom enorm. Door goed te lezen is dit overduidelijk:
In het huis van mijn Vader zijn vele woningen; als het niet zo was, zou Ik het u hebben gezegd, want Ik ga heen om u plaats te bereiden. En als Ik ben heengegaan en u plaats heb bereid, kom Ik weer en zal u tot Mij nemen, opdat ook u zult zijn waar Ik ben. Joh.14:2-3
En dan zal het teken van de Zoon des mensen verschijnen in de hemel; en dan zullen alle stammen van het land weeklagen en zij zullen de Zoon des mensen zien komen op de wolken van de hemel met kracht en grote heerlijkheid. En Hij zal zijn engelen uitzenden met luid bazuingeschal, en zij zullen zijn uitverkorenen bijeenverzamelen uit de vier windstreken, van de uitersten van de hemelen tot de andere uitersten daarvan. Mat.24:30-31
In Joh.14 zien we de Heer die Zelf de zijnen tot Zich neemt naar de plaats waar Hij is, ’tot Mij’, het huis van de Vader met zijn vele woningen. Hier is Hij thuis, waar Hij op aarde geen plaats had om zijn hoofd neer te leggen (Mat.8:20; Luk.9:58). Dit huis is ook het thuis van de christen die in deze wereld niets vindt voor zijn vreugde. Alles in het huis van de Vader ademt een sfeer van liefde, rust en blijdschap. Hoe anders in Mat.24 waar Hij verschijnt in oordeel voor het oog van de wereld om zijn koninkrijk te vestigen en zijn engelen uitzendt om de uitverkorenen (van Israël) te verzamelen. Engelen zijn hier verbonden met Israël, de Zoon met de gemeente.
De christelijke hoop is volkomen anders dan de joodse verwachting. Het huis van de Vader is groter dan de heerlijkheid van het koninkrijk. ‘Huis’ hoort bij ‘familie’ en christenen zijn kinderen van de God de Vader (1Joh.3:1). ‘Mijn Vader en uw Vader’ (Joh.20:17). Zijn (t)huis is ons (t)huis. Dit is niet het koninkrijk maar de hemel. Toch horen we velen vandaag verkondigen dat christenen moeten uitzien naar ‘de Koning’ of naar ‘de Messias’, maar wij verwachten ‘Zijn Zoon uit de hemelen’ (1Thes.1:10) om ons daar naartoe te brengen.
In Joh.14 zijn de discipelen gebracht in gemeenschap met de Vader en met de Zoon (vs.23). In die rust zien ze uit naar het moment dat Hij hen tot Zich zal nemen ‘in de lucht’ (1Thes.4:17). Ze worden niet voorbereid op een de ‘gruwel van verwoesting’ (Mat.24:15) of op een vlucht, (Mat.24:17). Ze zijn gebracht bij de liefde van de Vader, terwijl Mat.24 spreekt over het oordeel dat de Zoon des mensen ‘zoals de bliksem’ zal brengen over Israël en de volken (Mat.24:27-28) de ‘komende toorn’ (1Thes.1:10). Dit is ‘de dag van de Heer’ die zal komen als een dief in de nacht (1Thes.5:2-3). Christenen verwachten het iedere dag om het huis van de Vader in te gaan. Deze dagelijkse verwachting geeft kracht. Maak het ‘morgen’ en de kracht is weg!
Hij zal als zodanig komen voor de aarde, om de goddelozen te oordelen, maar in Joh.14 komt Hij voor het huis van de Vader. Daar zien we de gelovigen die tot de gemeente behoren, de kinderen van God. Zij bevinden zich in positie al in de hemelse gewesten (Ef.2:6) vanwege het volmaakte offer van de Heer Jezus. Er komt een moment dat de Heer hen tot Zich zal nemen om te zijn met Hem in het huis van de Vader. Dan zal Zijn blijdschap volkomen zijn. Hij komt voor een ieder persoonlijk,
Vader, wat U Mij hebt gegeven – Ik wil dat waar Ik ben, ook zij bij Mij zijn, opdat zij mijn heerlijkheid aanschouwen die U Mij hebt gegeven, omdat U Mij hebt liefgehad voor de grondlegging van de wereld. Joh.17:24
‘Waar Ik ben’. De verblijfplaats van de Zoon van de Vader is het huis van de Vader. ‘Geloof ook in Mij’ (Joh.14:1). De discipelen mochten boven hun joodse hoop op een herstelde tempel en een land vloeiende van melk en honing, iets veel heerlijkers gaan zien. De plaats waar de Zoon van eeuwigheid is, in de schoot van de Vader (Joh.1:18) daar mochten ze naar uitzien (hoewel die plaats alleen als de Zoon voor Hem is). God heeft niet simpelweg een ‘herstelplan’ voor de aarde bedacht alsof het verloren paradijs weer in ere zal wordt hersteld. Hij heeft iets veel heerlijkers voor ogen, dat de gelovigen mogen zijn waar Hijzelf is. Daartoe komt de Heer om hen daarin op te nemen. Daarvoor heeft Hij hen een plaats bereid. Paulus schrijft over dat moment op diverse plaatsen.
Zie, ik zeg u een verborgenheid. Wij zullen niet allen ontslapen, maar wij zullen allen veranderd worden, in een ondeelbaar ogenblik, in een oogwenk, bij de laatste bazuin; want de bazuin zal klinken, en de doden zullen onvergankelijk worden opgewekt en wij zullen veranderd worden. 1Kor.15:50-51
Want ons burgerschap is in de hemelen, waaruit wij ook de Heer Jezus Christus als Heiland verwachten, die het lichaam van onze vernedering zal veranderen tot gelijkvormigheid aan het lichaam van zijn heerlijkheid, naar de werking van de macht die Hij heeft om ook alles aan Zich te onderwerpen. Fil.3:20-21
Want de Heer Zelf zal met een bevelend roepen, met de stem van een aartsengel en met de bazuin van God neerdalen van de hemel; en de doden in Christus zullen eerst opstaan; daarna zullen wij, de levenden die overblijven, samen met hen in wolken worden opgenomen de Heer tegemoet in de lucht; en zo zullen wij altijd met de Heer zijn. 1Thes.4:16-17
‘De Heer tegemoet in de lucht’. De plaats van de gemeente is volkomen tegengesteld aan hen die op de aarde zijn ten tijde van de komst van de Heer. Zoals Hij nu verborgen is, zo zullen zij verborgen zijn tijdens de grote verdrukking. Zijn komst is in fasen, en de gemeente gaat Hem daarom ‘tegemoet’. Zoals Hij na de zeventigste jaarweek (Dan.9:27) geopenbaard zal worden in heerlijkheid, zo ook de gemeente.
Wanneer Christus, uw leven, geopenbaard wordt, dan zult ook u met Hem geopenbaard worden in heerlijkheid. Kol.3:4. Zie ook 1Thes.3:13 ‘met al zijn heiligen’, 2Thes.1:10; Op.17:14, ‘zij die met Hem zijn’, 19:14, ‘en de legers volgden Hem op witte paarden’. Paulus troost de gelovigen in Thessalonika met de woorden dat zij die ontslapen zijn door God ‘met Hem’ zullen komen als Hij zal verschijnen (1Thes.4:14). Vanuit de hemel naar de aarde, om daar de dingen van de hemel, van de Vader te communiceren. De hoop van Zijn roeping, Ef.1:18.
Zoals de Heer op aarde kon zeggen ‘de Zoon des mensen, die in de hemel is’ (Joh.3:13), zo zullen de gelovigen altijd in het huis van de Vader zijn, ook al zijn ze met Hem geopenbaard in heerlijkheid en zullen ze met Hem over de aarde regeren (2Tim.2:12).