Al vaker heb ik geschreven over de bijzondere bediening van de apostel Paulus. In dit artikel wil ik een aantal aspecten hiervan nog wat uitgebreider toelichten omdat deze dingen vandaag steeds meer onbekend zijn binnen de christenheid. De gevolgen zijn desastreus. Er ontstaat hierdoor een verkeerde gerichtheid waardoor de wereld, het vlees en de wet weer ingang krijgen in de levens van gelovigen. Daarom doe ik een dringende oproep aan ieder die dit leest en ook aan predikers, voorgangers en uitleggers van de Bijbel: zonder kennis van deze bediening van Paulus, zal er nooit een evenwichtige geestelijke groei zijn zoals God deze heeft bedoeld naar het ware karakter van het christendom in onze bedeling.

Paulus beschrijft in Hand.22 hoe hij de Heer ontmoette. We lezen dan dat Ananias tegen hem zegt:

En hij zei: De God van onze vaderen heeft u voorbestemd om zijn wil te kennen en de Rechtvaardige te zien en een stem uit zijn mond te horen, want U zult voor Hem bij alle mensen een getuige zijn van wat u hebt gezien en gehoord. Hand.22:14

Over deze wil schrijft Paulus dat de Vader ons deze heeft bekend gemaakt:

Daar Hij ons de verborgenheid van zijn wil bekend heeft gemaakt, naar zijn welbehagen. Ef.1:9

Deze wil heeft alles te maken met de bediening van Paulus die deze wil aan ons heeft doorgegeven. De twaalf apostelen gehoorzaamden aan de opdracht van de Heer door in de naam van de Heer Jezus bekering en vergeving van zonden te prediken (Luk.24:47). Zij waren ooggetuigen van het leven, het sterven en de opstanding van de Heer. Petrus aan wie de sleutels van het koninkrijk der hemelen waren toevertrouwd (Mat.16:19), ‘opent’ de weg naar deze zegen naar de Joden (Hand.2), de Samaritanen (Hand.8) en de volken (Hand.10). Kort hierna vernemen we niets meer van hem, m.u.v. een optreden in Hand.15. Het is Saulus, later Paulus die de hoofdpersoon wordt. Hij is van de schoot van zijn moeder af geroepen en voorbestemd (Gal.1:15) om ‘zijn wil’ te kennen. Dit noemt hij in Hand.20:27 ‘de hele raad van God’.

Deze heeft alles te maken met de Zoon van God die in Paulus geopenbaard werd om Hem te verkondigen onder de volken (Gal.1:16; Kol.1:28). Hoewel de gemeente ontstond in Hand.2 (deze wordt immers gebouwd op de belijdenis van geloof in Hem, Mat.16:18), werd aan Paulus geopenbaard welke diepere zegeningen hiermee verbonden waren, vooral dat de gelovigen onlosmakelijk aan de Heer in de hemel zijn verbonden als één lichaam, leden van elkaar en leden van Hem in de hemel. Zo vormen Christus als het hoofd in de hemel en de leden op de aarde ‘de nieuwe mens’ (Ef.2:15). Straks zal de gemeente met het hoofd, Christus, worden gesteld over alle dingen (Ef.1:10-11). Dit was van voor de tijden van de eeuwen het voornemen van God in Christus, zijn wil naar zijn eigen vreugde (Ef.3:9,11).

…daardoor kunt u, als u dit leest, mijn inzicht opmerken in de verborgenheid van Christus – die in andere geslachten de zonen van de mensen niet bekend is gemaakt, zoals zij nu in de Geest geopenbaard is aan zijn heilige apostelen en profeten: dat zij uit de volken medeerfgenamen zijn en mede-ingelijfden en mededeelgenoten van de belofte in Christus Jezus door het evangelie, Ef.3:4-6

De gelovigen die tot de gemeente behoren, zijn dus wat God betreft in de hemel (zie Ef.2:6, Fil.3:20), vast verbonden met hun hoofd, Christus. Dáár is de heerlijkheid van God en daar is de Persoon (de nieuwe mens, hoofd en lichaam) in wie God vreugde vindt. Daar is ook het ‘thuis’ van de christenen, niet op de aarde. Daar zijn zij tot de Vader gebracht. Door de Heilige Geest woont Christus in de gelovigen, Kol.1:27. Zo zijn zij met het hoofd in de hemel verbonden opdat zijn morele voortreffelijkheden in de gemeente worden gezien op aarde, de vrucht van de Geest (Gal.5:22).

Een tweede aspect van de bediening van Paulus is dat, omdat de gemeente in de hemel is gezeten in Christus, alles wat religieus lijkt of een uiterlijke, zichtbare vorm van aanbidding kenmerkt, door God veroordeeld is op het kruis. De enige bron van zegen is immers het hoofd in de hemel. Hij, verheerlijkt door God is op aarde verworpen door het religieuze systeem van mensen. Daarom is het oordeel hierover uitgesproken op het kruis. Dit is de reden dat Paulus zo heftig werd vervolgd.

Maar ik, broeders, als ik nog de besnijdenis predik, waarom word ik dan nog vervolgd? Dan is immers het struikelblok van het kruis te niet gedaan. Gal.5:11

Velen die zich ‘Bijbelgetrouw’ noemen, maar toch een vorm van menselijke, zichtbare aanbidding of eredienst voorstaan, zijn niet ‘Paulinisch’. Ze kennen het kruis niet. Denk aan mooie religieus ingerichte gebouwen, gewaden van priesters en dominees, kaarsen, kruizen, andere christelijke symbolen of iconen, feestdagen, emotionele muziek, vaststaande liturgieën, rituelen, etc. Verder is de consequentie van Paulus’ leer dat, omdat er één lichaam is (Ef.4:4) er geen verdeeldheid mag ontstaan doordat christenen bijeenkomen onder een eigen naam of onderling van elkaar verwijderen door een sektarische gezindheid. We lezen in Hand.11:26 dat, nadat Saulus een jaar lang de gelovigen in Antiochië (ver buiten Israël en de sfeer van het Jodendom) had onderwezen over ‘de wil van God’, de hemelse dingen over ‘de Heer Jezus Christus’ (zie Hand.28:32, vandaag praat men over ‘Jezus’ maar Paulus sprak en leerde altijd over de Heer Jezus als het om onze relatie tot Hem gaat), ze voor het eerst ‘christenen’ werden genoemd.

Vandaag zijn er talloze groepen en kringen onder een eigen naam en moet men vaak lid worden van een dergelijke gemeente om deel te kunnen hebben aan het gemeenteleven. We weten dat God ondanks al deze zaken harten kan bereiken en zegen kan bewerken, maar het gaat ons om de vraag: is een gemeente Paulinisch? Dan heeft zij toegang tot de volle zegen.

Naar de genade van God die mij gegeven is, heb ik als een wijs bouwmeester het fundament gelegd en een ander bouwt erop. Maar laat ieder uitkijken hoe hij erop bouwt. 1Kor.3:10

Bij de bediening die Paulus van de Heer ontving, om door te geven wat hij had gezien en gehoord van een Heer in de hemel, de Rechtvaardige, hoort ook een hemelse verwachting, los van alle profetieën (die te maken hebben met Gods plannen voor de aarde en de heerlijkheid van Zijn Zoon daar). De Heer zal de gelovigen tot Zich nemen in de lucht om zo altijd bij Hem te zijn (Joh.14:2-3; 1Thes.4:15-17; 2Thes.2:1). Door deze lijn van Paulus te verlaten richten veel predikers de aandacht uitsluitend op het koninkrijk dat op deze aarde gaat komen, (of volgens anderen vandaag zou moeten ‘doorbreken’) en worden de gedachten meer naar Joodse verwachting ingekleurd i.p.v. naar de christelijke. Een verwachting van een opname van gelovigen wordt dan ook door hen ontkend. Hiermee plaatsten zij zich buiten de leer van Paulus. Deze ‘wil’ van God voor deze tijdsperiode werd ook in Kolosse al ondermijnd. ‘Bezoekers’ met gnostische en Joods getinte leringen, die de wet weer langszij brachten met mooiklinkende woorden (Kol.2:4,8,16-18) brachten de harten van de Kolossenzen langzaam steeds verder af van Christus in de hemel. Paulus schrijft daarom:

Daarom houden ook wij, van de dag af dat wij ervan gehoord hebben, niet op voor u te bidden en te vragen, dat u vervuld mag worden met de kennis van zijn wil, in alle wijsheid en geestelijk inzicht, Kol.1:9

Het gaat er dus om in alle wijsheid en geestelijk inzicht de kennis van zijn wil te leren begrijpen en daarnaar te leven ‘de Heer waardig’, Kol.1:10. Dit zal leiden tot het ‘met alle kracht bekrachtigd’ zijn en in alle volharding en geduld (Kol.1:11) te leven vanuit de hemel. Dit is de kern van het christelijke leven.

Dit beschrijft Paulus in Kol.2:6-7:

Zoals u dan Christus Jezus, de Heer, ontvangen hebt, wandelt in Hem, terwijl u geworteld bent en opgebouwd wordt in Hem en bevestigd wordt in het geloof, zoals u is geleerd, daarin overvloeiend met dankzegging.

Het is de wil van God dat de aandacht, door het geloof in de waarheid van Gods woord, volledig uitgaat naar Christus in de hemel (de dingen die boven zijn, Kol.3:1-3), waardoor er dankzegging volgt, en niet een smeken om zaken die door God zijn gegeven (‘verbreek mij’, ‘vul mij’, ‘maak mij rein’ etc.). Zie hier om meer daarover te lezen.
Daarom mijn dringende oproep. Als iemand in de lijn van Paulus’ bediening de gemeente wil dienen, zal zo iemand ernaar verlangen om de hele raad van God te kennen. Als iemand dit opzettelijk weigert, sluit hij de stroom van Gods volle zegen af. Als hij dit ook niet aan anderen wil leren, is hij als iemand die als het ware de bloedtoevoer afsnijdt door een touw strak om iemands arm te wikkelen. Hij berooft de heiligen van de hele raad van God, zijn wil, en brengt daarmee schade toe. Paulus was zich bewust van deze grote verantwoordelijkheid en zegt daarom:

Daarom getuig ik u op de dag van vandaag, dat ik rein ben van het bloed van allen; want ik heb niet nagelaten u de hele raad van God te verkondigen. Hand.20:26-27