Want zoals het lichaam één is en vele leden heeft, en alle leden van het lichaam, hoewel vele, één lichaam zijn, zo ook Christus. 1Kor.12:12
Eerder schreef ik over de unieke kenmerken van de gemeente van God. In onze tijd van verdeeldheid en verwarring, is het van het grootste belang te zien wat de gemeente van God is, naar Zijn gedachten zoals beschreven in het Nieuwe Testament. Alleen dan kunnen wij in de praktijk uitdrukking geven aan deze waarheden, tot eer van God. In het Oude Testament is er geen sprake van de gemeente van God. De Heer Jezus spreekt duidelijk over een toekomstige zaak als Hij de gemeente aankondigt:
En ook Ik zeg je dat jij Petrus bent, en op deze rots zal Ik mijn gemeente bouwen, en de poorten van de hades zullen haar niet overweldigen. Mat.16:18
Het woord gemeente=Ekklesia: ‘naar buiten geroepen’. Het spreekt, in tegenstelling tot Israël, dat een ‘bijeengeroepen’ nationaal volk was, van het uit de wereld getrokken zijn rondom/tot Christus in de hemel op basis van geloof in het verlossingswerk van Christus. De gemeente (het geheel dus van gelovigen na het kruis) wordt in de Bijbel vanuit verschillende gezichtspunten beschreven:
- Een kudde: Hij, de goede Herder is het die ons liefdevol leidt en verzorgt, Joh.10:16
- Een huis: Hij is de hoeksteen, wij zijn de priesters tot het brengen van offers, 1Pet.2:5
- Een tempel: God is de Bewoner door de Geest, Ef.2:20-22; 1Kor.3:16
- Een akker: God zaait via zijn medewerkers totdat er vrucht te zien is, 1Kor.3:9
- Een kandelaar: als verantwoordelijke getuige van Hem op aarde, Op.1:20; 2:1
- Een bruid: Hij is de bruidegom, wij zijn de voorwerpen van Zijn liefde, Ef.5:30-32
- Een lichaam: Hij is het hoofd, wij zijn de leden; bestuurd door het hoofd, Ef.1:22-23; Kol.1:18
Over dit laatste aspect, de gemeente als het lichaam van Christus, wil ik in dit artikel dieper ingaan. Paulus schrijft over de gemeente:
Want wij zijn leden van zijn lichaam, van zijn vlees en van zijn gebeente. Ef.5:30
Het lichaam dat bestaat uit leden, de gelovigen, is Hijzelf. Hoofd en lichaam kunnen namelijk niet gescheiden worden, ze vormen die ene nieuwe mens, Ef.2:15. Het begrip ‘lichaam van Christus’ drukt de totale eenheid uit van Christus in de hemel en de gelovigen op aarde.
Maar wie de Heer aanhangt, is één geest met Hem. 1Kor.6:17
De bruid is als het ware zijn andere ‘Zelf’, zie verderop. Als we het beeld van het lichaam van Christus nemen, dan wordt hierin de waarheid meegedeeld dat het hoofd bepaalt wat de leden doen. Niet mensen, tradities, regels of wetten bepalen wat gelovigen doen moeten, maar het hoofd in de hemel. Door één Geest wordt iedere gelovige daartoe tot één lichaam gedoopt, 1Kor.12:13. Dit is ook, in andere bewoordingen: aan de (hemelse) Heer ‘toegevoegd’. We zien dat deze twee, de Geest op aarde en de Heer in de hemel pas realiteit werden op de Pinksterdag in Hand.2.
Dit nu zei Hij van de Geest, die zij die in Hem geloven, zouden ontvangen; want de Geest was er nog niet, omdat Jezus nog niet was verheerlijkt. Joh.7:39
Voordat Christus verheerlijkt werd, en er dus nog geen hoofd in de hemel was, kon er ook geen lichaam op aarde zijn. Er was nog geen Geest op aarde om hen aan elkaar te verbinden. Pas toen Hij verheerlijkt was, kon de Heilige Geest uitgezonden worden, vanuit de Heer (Joh.15:26; 16:7). Toen de Heilige Geest kwam (wonen in gelovigen) begon dus de gemeente. Het is geen voortzetting van Israël, maar een totaal nieuw gezelschap, verbonden met een verheerlijkt mens in de hemel. Deze mens, de verhoogde Christus, is het hoofd waar de gelovigen, Joden en heidenen, aan werden ‘toegevoegd’, als één lichaam.
En de Heer voegde dagelijks bijeen die behouden werden, Hand.2:47b
En er werden steeds meer gelovigen de Heer toegevoegd, Hand.5:14, 11:24
In het Oude Testament was er geen verheerlijkt mens in de hemel of de Geest op aarde. Hoewel de Geest toen zeker werkzaam was op aarde, woonde Hij daar nog niet. De Heer Jezus kondigde dit Zelf aan:
In die dag zult u weten dat Ik in mijn Vader ben en u in Mij en Ik in u. Joh.14:20
‘In die dag’, dat is de periode van zijn verheerlijking in de hemel. Deze eenheid tussen hoofd en lichaam was in de beginperiode duidelijk merkbaar:
De menigte nu van hen die geloofden, was één van hart en ziel, en niemand zei dat iets van zijn bezittingen zijn eigendom was, maar zij hadden alle dingen gemeenschappelijk. Hand.4:32
Plaatselijke gemeenten leefden in gemeenschap, verbondenheid met het geheel, ook al waren ze fysiek ver van elkaar gescheiden. De apostolische leer werd door allen geaccepteerd als van God en als zodanig gehoorzaamd, Hand.2:42. Er was geen enkele reden om hierover te twisten, zie 1Kor.11:16. De gemeenten van God weerspraken niet dat wat Paulus hen voorschreef, zoals dat vandaag wel het geval is. Men erkende hem als de apostel die was gezonden vanuit het hoofd tot het lichaam. Deze wezenseenheid tussen hoofd en lichaam vinden we op verschillende plaatsen beschreven: ‘leden van zijn lichaam, van zijn vlees en van zijn gebeente’, Ef.5:30. Dit is de taal van Adam uit Gen.2:23 als hij Eva van de HEERE ontvangt.
Toen zei Adam: Deze is ditmaal been van mijn beenderen, en vlees van mijn vlees! Deze zal mannin genoemd worden, want uit de man is zij genomen. Gen.2:23
Eva was uit Adam en dus onderdeel van hem, van zijn eigen ‘vlees’. Zij was in zekere zin én zijn lichaam én zijn bruid, zoals dit ook voor de gemeente geldt. Samen vormden zij ‘de mens’, zie Gen.5:1. Paulus beschrijft de nieuwe mens als een eenheid:
Want zoals het lichaam één is en vele leden heeft, en alle leden van het lichaam, hoewel vele, een lichaam zijn, zo ook Christus. 1Kor.12:12
‘Zo ook Christus’ wil zeggen: hoofd en lichaam, de nieuwe mens waarin God zijn vreugde vindt. Het is namelijk Zijn Zoon. De gemeente op aarde is de uitdrukking, de aanwezigheid van het hoofd zoals te zien bij Saulus die de gelovigen in Damascus vervolgde.
Saul, Saul waarom vervolg je Mij? Ik ben Jezus die jij vervolgt, Hand.9:4-5
Het vervolgen van de gelovigen betekende het vervolgen van Christus zelf. Het lichaam, de gemeente is namelijk de volheid van het hoofd in de hemel, Ef.1:23: ‘de volheid van Hem die alles in allen vervult’. Het hoofd is ook de verzekerde hemelse positie van het lichaam, Ef.2:6, ‘mee doen zitten in de hemelse gewesten in Christus’. Waar het hoofd is, in de hemel, daar is ook het lichaam. Paulus noemt dit: de verborgenheid van Christus, Ef.3:4-6; Kol.4:3, zie verder hier. De gemeente is in God voorgenomen, voor de grondlegging van de wereld, met eeuwige heerlijkheid als doel, zie hier. In de Bijbel heeft de uitdrukking ‘het lichaam van Christus’ drie betekenissen:
- De universele gemeente van alle tijden, Ef.5:25, Christus heeft de gemeente liefgehad
- De wereldwijde gemeente op één moment in de tijd, 1Kor.10:32
- De plaatselijke gemeente als uitdrukking van het geheel, 1Kor.12:27
Haar begin op aarde is in Hand.2, haar karakter is hemels en haar einde op aarde is de opname in de lucht, zie ook hier en hier.
En als Ik ben heengegaan en u plaats heb bereid, kom Ik weer en zal u tot Mij nemen, opdat ook u zult zijn waar Ik ben, Joh.14:3
Vader, Ik wil dat waar Ik ben, ook zij bij Mij zijn, Joh.17:24
Want ons burgerschap is in de hemelen, waaruit wij ook de Heer Jezus Christus als Heiland verwachten, die het lichaam van onze vernedering zal veranderen tot gelijkvormigheid aan het lichaam van zijn heerlijkheid, naar de werking van de macht die Hij heeft om ook alles aan Zich te onderwerpen. Fil.3:20-21
De Heer Zelf zal (…) neerdalen van de hemel,
Daarna zullen wij (…) in wolken worden opgenomen de Heer tegemoet in de lucht, 1Thes.4:16-17
Terwijl wij vurig verlangen met onze woning, die uit de hemel is, overkleed te worden. 2Kor.5:2b
Voor eeuwig zal de gemeente het lichaam van Christus zijn, met Hem verenigd in heerlijkheid. De gemeente als het lichaam van Christus vandaag is de praktische morele uitdrukking Christus. Het hoofd, Christus behoort praktisch zichtbaar te worden op aarde in zijn morele karakter (niet in zijn daden zoals velen beweren). Dit is allereerst in onderlinge liefde: ‘zo zijn wij, de velen, één lichaam in Christus, en elk afzonderlijk leden van elkaar’, Rom.12:5. De liefde onderling spoort aan tot onderlinge opbouw: En Hij heeft sommigen gegeven als apostelen, anderen als profeten, anderen als evangelisten, anderen als herders en leraars, om de heiligen te volmaken, tot het werk van de bediening, tot de opbouwing van het lichaam van Christus; Ef.4:11-12. Met ‘opbouwing’ bedoelt de apostel Christus die ‘gestalte’ krijgt in de levens van de gelovigen die zijn lichaam vormen.
…maar terwijl wij de waarheid vasthouden in liefde, in alles opgroeien tot Hem die het hoofd is, Christus, uit Wie het hele lichaam, samengevoegd en verbonden door elk gewricht dat de ondersteuning verleent naar de werking die elk deel is toegemeten, de groei van het lichaam bewerkt tot opbouwing van zichzelf in liefde. Ef.4:15-16
Naast de vijfvoudige bediening (waarvan de apostelen en profeten hun bediening in het geschreven woord van God uitoefenen) die is gegeven aan de wereldwijde gemeente is er ook sprake van gaven van genade, overeenkomstig de plaats die ieder lid heeft in het lichaam. Niet iedere gelovige is een evangelist, leraar of herder, maar wel heeft iedere gelovige een gave, een bediening.
Nu is er verscheidenheid van genadegaven, maar het is dezelfde Geest; en er is verscheidenheid van bedieningen, en het is dezelfde Heer; en er is verscheidenheid van werkingen, maar het is dezelfde God die alles in allen werkt. Maar aan ieder wordt de openbaring van de Geest gegeven tot wat nuttig is. 1Kor.12:4-7.
‘Wat nuttig is’ betekent de opbouw van de gemeente, de groei die alleen door Hem, uit Hem en tot Hem is! Helaas is er vandaag ook veel sprake van: terwijl hij niet vasthoudt aan het hoofd, Kol.2:19. Zie verder daarover dit artikel. De gemeente begon als een praktische eenheid, maar boze mensen en bedriegers zijn binnengeslopen, 2Tim.3:13; Jud.1:4. De gemeente is helaas geworden een ‘groot huis met voorwerpen tot eer en tot oneer’, 2Tim.2:20. Menselijke ‘hoofden’ (aangestelde leiders, voorgangers, dominees’, ‘pastors’) nemen de plaats in van het Hoofd in de hemel. Als we belijden dat er voor God maar één lichaam is, en één hoofd, behoren we dit ook in de praktijk waar te maken en ons te onttrekken menselijke leiders die niet door de Heer zijn aangesteld.
Want er moeten ook sekten onder u zijn, opdat ook de beproefden onder u openbaar worden. 1Kor.11:19
‘Sekten’ zijn groeperingen die aanvullende voorwaarden stellen om tot die groep toe te treden naast geloof in Christus. Hiermee onderscheiden zij zich van andere groepen christenen. Denk aan bepaalde favoriete leraars, leerstellingen, manier van dopen, geloofsbelijdenissen, etc. We behoren daarom uit iedere vorm van sektarisch samenkomen te stappen. We kunnen niet verbonden blijven met dat wat de eenheid van het lichaam ontkent. De eenheid van de Geest behoren we bewaren in de band van de vrede, Ef.4:3.
Aan Paulus was deze verborgenheid van de gemeente als het lichaam van Christus toevertrouwd, Ef.3:2-9. Hij kreeg ook speciale openbaringen over het avondmaal, dat is niet toevallig. In tijden van verval, zoals we die vandaag zien kan aan de tafel van de Heer de eenheid van het lichaam, hoewel die in de praktijk niet te zien is, wel degelijk uitgedrukt worden. Paulus schrijft aan de gemeente te Korinthe:
U bent het lichaam van Christus, 1Kor.12:27.
De plaatselijke gemeente is dus de uitdrukking van het hele lichaam van Christus. Het ‘breken’ van het brood daar is de gemeenschap van (of: ‘met’) het brood, Zijn dood verkondigen totdat Hij komt (1Kor.11:26). Maar er is meer: het brood is ook de uitdrukking van het ene lichaam.
Want wij, de velen, zijn één brood, een lichaam; want wij allen nemen deel aan het ene brood. 1Kor.10:17
Het ene brood drukt het ene lichaam uit. Alleen als wij alle gelovigen accepteren aan deze tafel van de Heer die leven met de Heer (dit is op aanbeveling van anderen, niet door henzelf, zie Hand.18:27; Rom.16:1; 2Kor.3:1) komen wij samen op de grondslag van het ene lichaam. We sluiten geen gelovigen uit en zo erkennen wij de eenheid die er in het lichaam is. Dit betekent concreet dat de deelnemers aan de tafel van de Heer niet leven in moreel of leerstellig kwaad of ermee verbonden zijn. Zij waarbij dit wel het geval is kunnen niet deelnemen en daarmee wordt de heiligheid van de tafel (niet een meubelstuk maar een geestelijk altaar) tot uitdrukking gebracht.
Doe de boze uit uw midden weg, 1Kor.5:13
De gemeenschap in de (G)geest is dan met allen die waar dan ook, zo, op deze wijze samenkomen. Laten wij ernst maken met deze dingen, in onze tijd waarin gemeenten en kerken onafhankelijk van elkaar opereren en menselijke ‘hoofden’ het voor het zeggen hebben.