Hoewel het aan de apostel Paulus was gegeven ‘de hele raad van God’ (Hand.20:27) te openbaren, waarmee hij het woord van God voleindigde (Kol.1:25), heeft de Heer Jezus al prachtige dingen laten zien die hier zijdelings mee verbonden zijn. Paulus schrijft over de relatie van de gemeente met het hoofd in de hemel, de Heer Jezus, de verborgenheid van Christus (Ef.3:5; Kol.4:3). Johannes schrijft over het eeuwige leven (Joh.17:3) en de rijkdommen die daarmee zijn verbonden. De Heer Jezus leert in dit evangelie veel over deze hemelse rijkdommen. Zo vooral in Joh.17, een hoofdstuk dat wat betreft diepte en rijkdom uniek is. Het is goed deze dingen te overdenken in onze tijd waarin vele predikers alleen nog maar spreken over dat wat met de aarde verbonden is. Sommigen beweren zelfs dat ‘in de hemel komen’ of ‘aan de hemel denken’ helemaal niet Gods prioriteit zou zijn! Daarom dit artikel over het grote belang van het verschil tussen de aardse en de hemelse dingen.
Vandaag is de aandacht, zoals gezegd, vaak op de aardse dingen en dan vooral op Israël (zie verder hier). Eén van hen beweerde onlangs dat het doel van de Bijbel is ‘het herstelplan van God met deze wereld’. Dit gaat echter niet uit boven wat we vanuit het Oude Testament weten. De Joodse discipelen werden juist door de Heer Jezus voorbereid op iets totaal nieuws, iets dat zij niet hadden kunnen weten uit het Oude Testament. Zij zouden een totaal nieuwe verhouding tot Hem gaan kennen, niet meer enkel die van discipelen in een koninkrijk in relatie tot de Messias (wat zij ook zeker waren), maar van kinderen van God in relatie tot de Zoon. ‘U gelooft in God, gelooft ook in Mij’, Joh.14:1. Er zou een tijd aanbreken waarin Hij lichamelijk afwezig zou zijn op aarde. In en door de Heilige Geest zou Hij bij en in hen zijn, ‘Ik kom tot U’, Joh.14:18. Deze Geest zou hen leren over de hemelse, diepere dingen, de ‘hele waarheid’, Joh.16:12-13.
Er zou een tijd komen van lijden en verdrukking, Joh.16:33. Het koninkrijk dat zij verwachtten, zou worden uitgesteld en een nieuwe vorm aannemen, vandaar dat de Heer hen daar veertig dagen op voorbereidde, Hand.1:3. In de tijd van Zijn afwezigheid moesten zij (en wij) Hem gaan leren kennen als de Zoon die de Vader openbaart. Over Hem, de Bron van liefde en licht, zegt de Heer Jezus zevenmaal in Joh.17 dat de Vader de gelovigen heeft gegeven aan de Zoon (vers 2,6,9,11,12,24). Christus is de liefdegave van God aan de wereld. De gelovigen zijn de liefdegave van de Vader aan de Zoon en dit al voordat er een wereld was!
In Joh.17 lezen we over de Heer Jezus als de eeuwige Zoon die Zijn hart opent voor de Vader. Hier wordt Hij niet voorgesteld als de mens die tot Zijn God bidt (wat we bijv. wel vinden in Luk.22:40-44), maar als de Zoon die vertrouwelijk spreekt met de Vader. Als de Zoon is Hij God, ‘Zoon van God’, volmaakt één met de Vader (Joh.10:30). Jezus is honderd procent Mens en tegelijk honderd procent God de Zoon. Dit laatste is wat we in Joh.17 vinden. We vinden in dit hoofdstuk zeven verzoeken van de Zoon aan de Vader:
- Dat Hij, de Zoon die de Vader heeft verheerlijkt op het kruis, Zelf als Mens verheerlijkt mag worden, vers 1.
- Dat dit mag zijn met de heerlijkheid die Hij had voordat de wereld geschapen was, vers 5. Toen bezat Hij een eeuwige Goddelijke heerlijkheid bij en met de Vader. Deze heerlijkheid wil Hij delen met de zijnen, daarom moest Hem deze heerlijkheid, die Hij als de Zoon eeuwig bezit, ook als Mens gegeven worden.
- Dat de gelovigen als eenheid bewaard mogen worden in de naam van de Vader, vers 11. Hoewel het hier allereerst over de elf discipelen gaat, leren we uit vers 20 dat deze verzoeken alle gelovigen betreffen.
- Dat de gelovigen geheiligd mogen worden in de waarheid, vers 17. Deze waarheid is het woord van de Vader over de Zoon. Alleen als wij ons bezig houden met de Zoon, Mens geworden, gekruisigd, opgestaan en verheerlijkt in de hemel, zullen wij werkelijk heilig leven.
- Dat de gelovigen geestelijk één zouden zijn, vers 21. Zoals de Vader en de Zoon één zijn in dezelfde levensgemeenschap, zo is dat ook met alle gelovigen. Zij delen immers in de goddelijke natuur, 2Pet.1:4.
- Dat de wereld mag geloven dat de Vader de Zoon heeft gezonden, vers 21. Het getuigenis van deze eenheid in leven aan de wereld zal geloof in de wereld bewerken.
- Dat de gelovigen bij de Zoon zullen zijn in de hemel en daar Zijn heerlijkheid mogen aanschouwen, vers 24. Het gaat hier niet om delen in een koninkrijk op aarde, als onderdanen, maar om kinderen van God die in het huis van de Vader in de hemel, de heerlijkheid van de Zoon die Mens geworden is zullen aanschouwen. ‘Wij zullen Hem zien zoals Hij is’, 1Joh.3:2.
Straks, als Hij komt in heerlijkheid en majesteit (Zijn publieke verschijning aan de wereld) zal Hij in de gemeente geopenbaard worden. ‘Ik in hen’, vers 23. Hij zal worden verheerlijkt in al zijn heiligen en worden bewonderd in allen die hebben geloofd, 2Thes.1:10. Dan zal de wereld erkennen dat de gelovigen, ‘volmaakt tot één’ (vers 23), het voorwerp zijn van de liefde van de Vader. Alle gelovigen zijn dan aan Hem gelijk, 1Joh.3:2. De Zoon zal worden geopenbaard in de gelovigen en in Hem zal de Vader worden gezien, ‘U in Mij’, vers 23. Dit is de christelijk hoop, helemaal los van de aardse hoop van het Oude Testament.
We zien dit uitgebeeld in het Jeruzalem dat uit de hemel neerdaalt tijdens het vrederijk vanaf Op.21:9. De gelovigen (voorgesteld als een bruid en een stad, er is immers sprake van regering) hebben de heerlijkheid van God, Op.21:11. Dit gaat veel verder uit boven de verwachting van het Oude Testament waar het koninkrijk van God op aarde werd aangekondigd waarin de heiligen zouden regeren met de HEERE (Dan.7:27). Pas toen de Zoon kwam en de Vader openbaarde (Joh.1:18), het werk aan het kruis volbracht, konden de hoogste zegeningen bekend worden gemaakt. In Johannes 17 vinden we daarom ook vijf van deze zegeningen:
- Het eeuwige leven, vers 2-3. Dit is niet het leven dat de gelovigen uit het Oude Testament kenden, want alleen wie de Zoon heeft, heeft dit eeuwige leven, ‘overvloedig’ (Joh.10:10; 1Joh.5:12). Pas toen de Zoon kwam (het eeuwige leven Zelf, zie 1Joh.1:2), de Vader openbaarde en verheerlijkt was, kon dit leven aan mensen worden gegeven. En dit is het eeuwige leven, dat zij u kennen, de enige waarachtige God, en Jezus Christus die U hebt gezonden. 17:3. Zo zijn alleen de gelovigen die behoren tot de gemeente ‘kinderen van God’, Joh.1:12, zie ook Gal.4:6.
- De naam van de Vader, vers 6,26. Dit is zoals God in al zijn volheid bekend is gemaakt door de Zoon, ‘vol van genade en waarheid’, Joh.1:18. In het Oude Testament was de Vader van de Zoon onbekend. ‘Vader” betekent daar ‘Oorsprong’. Nu mogen wij worden vervuld met ‘de hele volheid van God’, Ef.3:19.
- Het woord van de Vader, vers 8,14,17. Dit is alles wat de Vader heeft gesproken over de Zoon. Gelovigen kennen de Heer Jezus nu als ‘de Zoon van de Vader’, 2Joh.1:3.
- De blijdschap van de Zoon, vers 13. Dit is de blijdschap in de Vader en Diens liefdevolle zorg voor de zijnen. De Zoon verheugde Zich altijd in de Vader (zie Mat.11:25), wat de omstandigheden ook waren en ook wij mogen weten dat alle dingen zullen meewerken ten goede (Rom.8:28) en dat de Vader alles werkt naar de raad van Zijn wil (Ef.1:12). Dit is dat de Zoon zal worden verheerlijkt zowel in de hemelen als op de aarde, Ef.1:10.
- De heerlijkheid van de Zoon, vers 22. Straks zullen de gelovigen volmaakt aan Hem gelijk zijn (Fil.3:20; 2Thes.2:14). De gemeente is het middel waardoor de Vader de Zoon, Mens geworden zal verheerlijken tot in alle eeuwigheid.
In onze tijd is het de wil van de Vader dat de gelovigen ‘veel vrucht’ dragen (Joh.15:8). Dit is de heiliging (Heb.12:14). ‘Heilig hen door de waarheid, Uw woord is de waarheid’, Joh.17:17. Zo wordt Christus gezien in de gelovigen, ‘ik in hen’, Joh.17:26. Paulus schrijft: ‘Christus in u, de hoop van de heerlijkheid, Kol.1:27. Geen woord in dit prachtige hoofdstuk over tekenen of wonderen, geen woord over Israël. Hier, waar we de diepste verlangens van de Zoon vinden, is er maar één zaak waar het vandaag allemaal om draait:
En Ik heb hun Uw naam bekend gemaakt en zal die bekend maken, opdat de liefde waarmee U Mij hebt liefgehad, in hen is en ik in hen. Joh.17:26.