De heerlijkheid van de persoon van Christus is een uiterst kostbaar en heilig onderwerp en daarmee hét grote thema van de Bijbel. God heeft tot ons gesproken ‘in (of: ‘als’) Zoon’ zonder lidwoord, Heb.1:1. God sprak niet meer in en door anderen, maar Zelf en wel als de Zoon. In Hem, de Heer Jezus kennen wij daarom de ‘waarachtige God’, 1Joh.5:20. Het is daarom ook niet vreemd dat de duivel er alles aan is gelegen de heerlijkheid van Christus aan te vallen. Dit doet hij via valse leraars, op allerlei manieren. Afgelopen maand ontving ik een email van iemand waarin het volgende stond:

‘Vandaag heb je gesproken in (…). Daar deed je uitspraken over dat de Heere Jezus de eeuwige Zoon is zoals te vinden is in Spreuken 8. Maar dat gaat volgens mij niet over de Heere Jezus, maar over de wijsheid, ik heb dat een tijd geleden is uit moeten zoeken toen ik met Jehova’ s getuigen daarover in gesprek kwam. Ik ben toen een goede studie tegengekomen over dit onderwerp, ik zou zeggen lees het is door, wie weet brengt het je op andere gedachten.’ 

Wat volgde was een zeer uitgebreid betoog over de vraag: is Jezus de eeuwige Zoon van God? De conclusie die hierin werd getrokken was ‘nee’. Hij is wel God maar niet van eeuwigheid af de Zoon. De schrijver van de mail gaat ervan uit dat met deze uitdrukking bedoeld wordt dat de Heer Jezus een begin had, wat hij (terecht) wil bestrijden. Hij denkt dus dat als we Hem als de eeuwige Zoon belijden, we tegelijk belijden dat Hij ‘geboren’ of ‘ontstaan’ is, hetgeen uiteraard een dwaalleer is. Helaas gooit hij met het kind ook het badwater weg want de Heer Jezus wordt in de Bijbel wel degelijk als de eeuwige Zoon van God voorgesteld. Welnu, omdat het zo enorm belangrijk is dit aan te tonen (dat de Heer Jezus wel de Zoon is en dat van eeuwigheid af), wil ik dit zeer uitgebreid vanuit de Bijbel bewijzen, de argumenten van de mailschrijver weerleggen en laten zien waarom dit nu zo belangrijk is.

Het leidt tot grote zegen ons bezig te houden met de persoon van de Heer Jezus. We willen dit eerbiedig en op een gepaste wijze doen, ons bewust van onze gebrekkige kennis. Niemand kent immers de Zoon dan de Vader (Mat.11:27b). Als ik spreek over het Zoonschap dan bedoel ik daarmee ‘de hoedanigheid van een bepaald persoon die slaat op de betrekking tegenover een vader en moeder’. Er is geen zoon zonder een vader. Als we dit op Christus toepassen, zien wij onmiddellijk hoe diepgaand en rijk dit onderwerp is, omdat Hij zowel God als mens is en in beide ‘hoedanigheden’ Zoon van God is. Zijn Zoonschap is tweezijdig omdat Zijn Persoon tweezijdig is. De uitdrukking ‘Zoon van God’ komt op twee manieren voor in de Bijbel:

  • Verwekt door God de Heilige Geest in de maagd Maria als mens (Luk.1:35).
  • Eeuwige Zoon van de Vader.

Als mens geboren noemt Hij Zichzelf de ‘Zoon des mensen’ (Mat.10:23; 12:40), de Mens bij uitstek, de ware Mens Gods. Als de eeuwige Zoon noemt Hij Zichzelf ‘Zoon van God’ (Mat.27:43; Joh.15:18,25; 10:36; 19:7). Maar tegelijkertijd wordt altijd duidelijk, dat Hij God én Mens is en dat deze twee niet door ons ‘uiteen’ te pluizen is. Zo spreekt Hij over ‘de Zoon des mensen die in de hemel is’ (Joh.3:13).

De schrijver van de mail aan mij ontkent ook niet dat dit zo is, maar wel dat de Heer eeuwig Zoon is. De Bijbel noemt Hem ‘de Zoon van de Vader (Joh.17:1; 1Joh.1:3; 2Joh.3), ‘de eniggeboren Zoon van God’ (Joh.1:14,18; 3:16,18; 1Joh.4:9). Als de aanduiding ‘Zoon van God’ de naam is van een eeuwig, Goddelijke Persoon, dan is het duidelijk dat deze van eeuwigheid ‘Zoon’ geweest is. Namen van Goddelijke Personen zijn noodzakelijkerwijs evenzeer eeuwig als die Persoon Zelf. De Heer Jezus is in Persoon de Zoon, en die Persoon is eeuwig; dus is de Zoon eeuwig. Als alleen de vleeswording van Christus Hem tot ‘Zoon’ maakte, maakte dat dan ook God toen pas tot ‘Vader’? Laten we een aantal Bijbelteksten eens bekijken:

Zegt u van Hem die de Vader heeft geheiligd en in de wereld gezonden, Joh.10:36a

Ik ben van de Vader uitgegaan en ben in de wereld gekomen; Ik verlaat de wereld weer en ga heen naar de Vader. Joh.16:28

Maar toen de volheid van de tijd gekomen was, zond God zijn Zoon, geboren uit een vrouw, geboren onder de wet, Gal.4:4

Hij die tijdens zijn dagen in het vlees met sterk geroep en tranen zowel gebeden als smekingen geofferd heeft aan Hem die Hem uit de dood kon verlossen (en Hij is verhoord om zijn godsvrucht), heeft, hoewel Hij Zoon was, de gehoorzaamheid geleerd uit wat Hij geleden heeft. Heb.5:7-8

En het leven is geopenbaard en wij hebben gezien de getuigen en verkondigen u het eeuwige leven, dat bij de Vader was en ons geopenbaard is); 1Joh.1:2

…en wij zijn in de Waarachtige, in zijn Zoon Jezus Christus. Deze is de waarachtige God en het eeuwige leven. 1Joh.5:20b

Deze laatste twee teksten zijn eigenlijk al voldoende. Het eeuwige leven was bij de Vader voor zijn vleeswording en dit eeuwige leven (dat dus bij de Vader was) is de Zoon zegt 1Joh.5:20 overduidelijk. ‘Hiertoe is de Zoon van God geopenbaard’, 1Joh.3:8a. Iemand kan alleen geopenbaard worden als hij er als was, anders heeft het woord ‘geopenbaard’ geen enkele functie. Zo schrijft Johannes: En het Woord is vlees geworden en heeft onder ons gewoond (en wij hebben zijn heerlijkheid aanschouwd, een heerlijkheid als van een eniggeborene van een Vader). Joh.1:14. ‘Van een Vader’ is eigenlijk: ‘van bij’ een Vader. De discipelen zagen in de Mens Jezus de heerlijkheid van Iemand met dezelfde natuur en waardigheid als de Vader omdat in Hem de Vader zichtbaar was geworden.

Alleen Hij, die bij de Vader was, kon Hem naar waarheid openbaren, zie ook Joh.1:18. De Zoon was dus al bij de Vader, iets dat is het boek Spreuken wordt voorgesteld in hoofdstuk 8:30v. Daar is Hij de wijsheid waardoor God de werelden schiep, zoals ook Paulus bevestigt in Kol.1:16. ‘Alle dingen zijn door Hem en tot Hem geschapen’, dat is door ‘de Zoon van zijn liefde’, Kol.1:13, ‘in Hem’, vs16. Heb.1:3 zegt ook dat God door de Zoon de werelden schiep. Hij was er dus bij de schepping. Wie is de Schepper? Het is de Zoon. Deze Zoon is door de Vader in de wereld gezonden, Joh.5:23; 1Joh.4:10.

Wij mogen bovendien weten hoe God eeuwig in liefde gewoond heeft – want de betrekking van de Vader en de Zoon is een liefdesbetrekking. God is liefde (1Joh.4:8,16), maar het zou onzin zijn te beweren dat Hij dit niet van eeuwigheid af is. De Zoon, die in de schoot van de Vader is (Joh.1:18), is het voorwerp van de liefde van de Vader en visa versa. Liefde is de natuur van God en te beweren dat pas bij de menswording van de Heer Jezus deze liefde ontstond is dwaasheid! De Zoon was van eeuwigheid af de ‘Zoon van Gods liefde’ (Kol.1:13). ‘Omdat U Mij hebt liefgehad vóór de grondlegging van de wereld’, Joh.17:24.

Johannes schrijft in de eerste verzen van zijn eerste brief dat de gemeenschap die er van eeuwigheid is tussen de Vader en de Zoon niet ‘ontstond’, maar nu geopenbaard is (zie 1Joh.1:3). De naam ‘Zoon’ heeft daarom niets te maken met verwekking of een ontstaan als ‘Zoon’, zoals dat bij mensen het geval is tussen een vader en een zoon. We lezen immers in Heb.7:3 (waar het over Melchisedek gaat, een mysterieus figuur uit Gen.14):

…en terwijl hij zonder vader, zonder moeder, zonder geslachtsregister, zonder begin van dagen of einde van leven is, maar op de Zoon van God lijkt, blijft hij priester voor altijd.

De Zoon van God is niet ‘Zoon’ als zou Hij een vader hebben door geboorte (zie verder onder). Hierin is het doel van de misleiding gelegen, dat als de Zoon er niet als zodanig van eeuwigheid af was, dan zouden wij als christenen niet in de wezenlijke, eeuwige gemeenschap van God Zelf, het eeuwige leven (dat immers het kennen van Goddelijke Personen inhoudt, Joh.17:3) zijn ingevoerd en dan is het christendom van zijn grondslag beroofd! Als wij niet de betrekkingen zouden kennen die er vóór Christus’ menswording tussen Goddelijke Personen bestonden – d.w.z. als wij Hem voordien niet met de namen Vader, Zoon en Geest kunnen aanduiden – dan worden christenen van hun meest kostbare zegeningen beroofd.

Hoe zullen wij de heerlijkheid aanschouwen die de Zoon bij de Vader had, voordat de wereld er was (Joh.17:5), als er in de eeuwigheid helemaal geen Zoon bij de Vader was? Hoe kon Agur over God de, door de Heilige Geest geïnspireerde vraag stellen ‘hoe is de naam van zijn zoon?’ (Sp.30:4) als er destijds helemaal geen Zoon was? De waarheid van de drie-ene God was in het Oude Testament weliswaar nog verborgen, maar Agur voelde wel aan dat de ware Vertegenwoordiger van God zijn Zoon zou moeten zijn. Ook Heb.1:8-11 is een duidelijk getuigenis waar wordt gesproken over het getuigenis dat God geeft over zijn Zoon vanuit Ps.45 en 102:

…maar van de Zoon: ’Uw troon, O God, is tot in alle eeuwigheid en de scepter van de rechtmatigheid is de scepter van uw koningschap. U hebt gerechtigheid liefgehad en wetteloosheid gehaat; daarom heeft God, uw God, u gezalfd met vreugdeolie boven uw metgezellen’. En ’U, Heer, hebt in het begin de aarde gegrondvest, en de hemelen zijn werken van uw handen. Zij zullen vergaan, maar U blijft;

Ook hier zien we weer dat er in het Oude Testament, dus voor de vleeswording van Christus, er al over de Zoon gesproken wordt. Deze Zoon is van eeuwigheid af in de schoot van de Vader geweest, ‘het Woord was bij God’ (Joh.1:1). Ik hoop met al deze Bijbelse bewijzen voldoende te hebben aangetoond hoe belangrijk deze waarheid is, ook voor het praktische geloofsleven.

Ik wil ook nog kort aandacht besteden aan de lange reeks argumenten die de mailschrijver mij deed toekomen om te willen bewijzen dat de Heer Jezus niet van eeuwigheid af de Zoon is.

‘Het idee dat Christus de ‘eeuwige Zoon’ van een ‘eeuwige Vader’ is, wordt logisch ondermijnd door flagrante zelf-tegenspraak. Wil taal überhaupt nog enige waarneembare betekenis behouden, dan is het simpelweg niet mogelijk om zowel een eeuwige ‘zoon’ als een eeuwige ‘vader’ te hebben, want in de aard van de taal zelf wordt een ‘vader’ altijd beschouwd als vóór de ‘zoon’, en een ‘zoon’ volgend op zijn ‘vader’. Als God daadwerkelijk de ‘vader’ is van de pre-geïncarneerde Zoon, kan de Zoon niet eeuwig zijn, maar moet hij geschapen zijn, zoals de ketter Arius beweerde en de Jehova’s Getuigen nu volhouden.’

Ik heb hierboven aangetoond dat dit menselijk redeneren is over de termen ‘vader’ en ‘zoon’. Heb.7:3 leert ons dat de Heer Jezus als de Zoon van God ‘zonder vader of moeder’ is. Het gaat niet om onze begrippen van de termen ‘vader’ en ‘zoon’ in de betekenis van ‘verwekking’ of ‘geboorte’, maar het drukt de liefdesband uit die ervan eeuwigheid af is geweest tussen Goddelijke Personen. Onder de mensen betekent vaderschap altijd verwekking, afstamming, geboorte, maar Heb.7:3 zegt juist dat de Zoon van God als Goddelijke Persoon in die zin geen vader had. De Vader was niet Zijn Vader door verwekking en geboorte  maar in de zin van een eeuwige liefdesbetrekking.

‘Hoewel de Schrift de eeuwige natuur van Christus bevestigt, ontbreekt het aan bewijs voor het vermeende ‘zoonschap’ voor alle eeuwigheid. De theorie van ‘eeuwig Zoonschap’ heeft absoluut geen basis in de Schrift, zoals een overzicht van zogenaamde bewijsteksten zal aantonen.’

De bewijsteksten die dan volgen, hebben bijna uitsluitend betrekking op de vleeswording van de Heer Jezus. ‘Absoluut geen basis in de Schrift’ heb ik hierboven weerlegd. Ten overvloede nog dit: als de Heer Jezus bidt tot de Vader: ‘verheerlijk Uw Zoon’ (Joh.17:1b), dan zegt Hij even verder ‘met de heerlijkheid die Ik bij u had voordat de wereld was’, vs5. Het moge duidelijk zijn dat de Zoon dus een heerlijkheid had bij de Vader voordat de wereld er was!

‘Psalm 2:7: ‘Hij zei tegen mij: U bent mijn Zoon, heden heb Ik U verwekt.’ Hoewel het vaak wordt gebruikt als bewijstekst voor ‘eeuwig Zoonschap’, is de vraag die eerlijk beantwoord moet worden deze: geeft de taal van dit vers aan dat Christus altijd de ‘eeuwige Zoon van God’ is geweest?’

De schrijver ontgaat het dat hier de volgorde had moeten zijn (als Christus niet de eeuwige Zoon zou zijn, maar pas bij zijn menswording): ‘Ik heb U heden verwekt, U bent mijn Zoon’. Maar de volgorde is andersom: ‘U bent mijn Zoon, Ik heb u heden verwekt’. Dus toen de Heer Jezus mens werd, was Hij al de Zoon. God zegt niet: ‘Ik heb u tot mijn Zoon gesteld’, maar: ‘U bent mijn Zoon’. Nu zegt volgorde niet altijd alles, maar deze tekst wordt in Heb.1:5 aangehaald om te bewijzen dat de Heer Jezus van eeuwigheid af de Zoon is.

‘Jezus Christus werd door God uit de dood verwekt en werd door Zijn opstanding officieel tot Zoon van God verklaard. Hierdoor werd Hij officieel bevoegd verklaard voor de intrede in het Hem toegewezen ambt als Koning over Zijn koninkrijk.’

Rom.1:4 beschrijft exact het tegenovergestelde. Hij ‘werd’ niet tot Gods Zoon ‘verklaard’ door dodenopstanding (vreemde bewering van iemand die elders beweert dat Hij dit door geboorte was), maar verklaard Gods Zoon al reeds te zijn! Die verklaard is als Gods Zoon in kracht naar de Geest van de heiligheid, door dodenopstanding, Rom.1:4a. Let op dat er niet staat ‘door dodenopwekking‘, maar ‘door dodenopstanding‘. Alleen omdat Hij de Zoon is, kon Hij zelfstandig uit de dood opstaan (‘Ik heb macht het (leven) weer te nemen’, Joh.10:18) en zo werd verklaard dat Hij de eeuwige Zoon is!

‘De context van Spreuken 8 is een discussie over Gods wijsheid in alle zaken. Wijsheid wordt gepersonifieerd om de nadruk te leggen. Dat Christus in deze passage niet wordt aangegeven, blijkt uit het gebruik van vrouwelijke voornaamwoorden door de auteur (d.w.z. “haar” vs. 1; “zij/haar” vs. 2; “zij” vs. 3; “haar” vs. 11). Geen enkele Persoon van de Godheid wordt ooit in vrouwelijke taal beschreven. God, inclusief Jezus Christus, wordt altijd in mannelijke termen aangeduid.’

Dit is een drogreden van de bovenste plank. Het vrouwelijke woord heeft immers betrekking op de ‘wijsheid’ en niet direct op de Goddelijke naam. Toch is de context duidelijk dat de wijsheid van God Christus is (Hij is de wijsheid van God, 1Kor.1:30) want immers wordt er gesproken over het scheppen van alle dingen. Dat de Wijsheid ‘geboren’ is – dat wordt twee keer gezegd: in vs24 en in vs25 –, wil niet zeggen dat Christus geschapen werd of een begin had (er staat immers duidelijk in vs23 ‘van eeuwigheid af ben ik gezalfd geweest’), maar dat Hij op een bepaald moment als Schepper is gaan handelen. Wat in God aanwezig is, wordt zichtbaar. Het is vergelijkbaar met wat er bij de geboorte van een kind gebeurt. Een kind dat geboren wordt, is al in de moederschoot aanwezig, maar wordt bij de geboorte zichtbaar. De Wijsheid bewijst Haar voorbestaan door te gaan handelen als er nog niets is, als er ‘[nog] geen diepe wateren’ zijn en ‘[nog] geen bronnen …, zwaar van water’, vs24. Hetzelfde geldt voor ‘de bergen’ en ‘de heuvels’, vs25die ook hun ontstaan te danken hebben aan Hem Die er was.

‘De titel ‘Mensenzoon’ identificeerde Jezus als een menselijk persoon, dat wil zeggen, een echte mens van vlees en bloed. De term ‘Zoon van God’ wordt op precies dezelfde manier gebruikt. Jezus was uniek doordat zijn moeder een mens was, maar zijn vader een god. De Heilige Geest verwekte Jezus in de schoot van de maagd Maria (Matteüs 1:20). Dit bracht twee verschillende naturen (menselijk/goddelijk) samen in één zeer uniek Persoon.’

Beide beweringen kloppen niet. ‘Mensenzoon’ is niet enkel ‘een echt mens’, want dan kan iedereen zich zo noemen, maar het betekent de unieke mens, de mens bij uitstek, die naar Gods hart. De tweede bewering klopt ook niet, want, zoals ik uitvoerig hierboven heb aangetoond, ‘werd’ Jezus niet enkel Gods Zoon bij zijn geboorte uit Maria, maar werd Hij ook als zodanig verklaard. Hij was de Zoon en werd mens. Dezelfde die in de moederschoot van Maria was, was van eeuwigheid in de schoot van de Vader geweest.

‘Hij droeg geen van beide titels ‘Zoon des mensen’ en ‘Zoon van God’ vóór Zijn geboorte in menselijk vlees; Zijn naam was evenmin Jezus. Sprekend over het kind dat uit Maria geboren zou worden, kondigde de boodschapper aan: “En zij zal een Zoon baren, en gij zult Hem de naam Jezus geven, want Hij zal Zijn volk redden van hun zonden” (Matteüs 1:21).’

Ook hier wordt dezelfde fout gemaakt. De Heer spreekt over Zichzelf als de Zoon des mensen ‘die in de hemel is’ (Joh.3:13) en wat Zoon van God betreft heb ik hierboven genoeg aangetoond. Hij was uniek in zijn geboorte en daarmee ‘zoon van God’, maar dat is maar niet alles wat erover te zeggen is. Wij kunnen niet ten diepste deze twee ‘titels’ van elkaar scheiden en uitpluizen wat Hij op aarde als mens en wat Hij als God heeft gedaan. ‘Wat dan, als u de Zoon des mensen ziet opvaren waar Hij tevoren was’? Joh.6:62. Hier zien we dat de Heer Zichzelf als de Zoon des mensen een eeuwige plaats toewijst.

‘Pas na zijn vleeswording begint Johannes Hem de titel ‘Zoon van God’ toe te schrijven (vgl. 1:1, 14, 34, 49)’.

Dit is ook weer een merkwaardige drogreden. Pas toen de Heer openbaar was geworden, kon Johannes Hem beschrijven, niet eerder, maar dat is niets anders dan logica. Maar om daaruit de conclusie te trekken dat ‘dus’ de term ‘Zoon van God’ alleen door Johannes wordt gebruikt om Hem als Mens na zijn geboorte aan te duiden, heb ik hierboven veelvuldig weerlegd. ‘Het eeuwige leven, dat bij de Vader was’, is de Mens die zij leerden kennen, 1Joh.1:2. Het is juist precies het tegenovergestelde: Johannes is dé evangelist die Hem juist uitvoerig beschrijft als de eeuwige Zoon van God, die bij de Vader was en van Hem is uitgegaan.

‘In het Nieuwe Testament wordt de titel ‘Zoon van God’ meer dan veertig keer op Christus toegepast. In geen enkel geval verwijst deze naar het bestaan ​​van het vóór-incarnatie Woord, maar beschrijft altijd de unieke Persoon die we kennen als Jezus, geboren uit Maria.’

Dit is eenvoudigweg niet waar. Teksten hierboven. We lezen over ‘de eniggeboren Zoon van God’ (Joh.3:16) en van ‘een eniggeborene’ (Joh.1:14). Het Griekse woord monogenés bestaat uit monos (‘enig’) en genos (‘geslacht’). Soms betekent het ‘geboorte’, ‘afkomst’ (Mark.7:26), maar meestal ‘familie’, ‘verwantschap’ of ‘soort’ (Mat.13:47; 17:21; 1Kor.14:10). Hierdoor is ‘eniggeboren’ het best te vertalen als ‘enig in zijn soort’, ‘uniek’. Hij. de Zoon van God, is de Unieke, de enige Vertegenwoordiger en Uitdrukking van het wezen en van de natuur van God. Zo leert Joh.3:16 ons dat de gave van God ligt in het unieke Zoonschap van Degene die gegeven werd op het kruis van Golgotha. Dit schitterende van de gave van de liefde van God zou verloren gaan als de Heer pas Zoon werd dóór die gave. Hij, als de unieke Zoon van God werd door Hem in de wereld gezonden, 1Joh.4:9.

Ik laat de overige ‘bezwaren’ tegen de leer van het eeuwige Zoonschap van Christus hier verder rusten. Met dit artikel hoop ik dat allerheiligste van ‘het geloof’, de Persoon van Christus, in zwakheid in het licht te hebben gesteld. Laat u niet roven van de vele heerlijkheden die de Schrift ons van Hem openbaart, opdat uw blijdschap ‘volkomen is’, 1Joh.1:4