Als er één Bijbels onderwerp te bedenken is waarover de meningen verdeeld zijn, is het wel de tongentaal. In sommige kringen wordt er veel waarde gehecht aan deze gave van genade (‘Het is de belangrijkste gave’) en in andere kringen komt het niet of nauwelijks voor (‘Het was alleen voor toen’). Laten we het eerste misverstand uit de weg helpen. De Bijbel spreekt niet over ‘tongentaal’ maar over ‘talen’, in de betekenis van ‘bestaande talen’. Het woord ‘tongentaal’ is dus niet Bijbels.

Oprechte christenen ervaren veel steun aan de talen, die, zeggen ze, een gebedstaal is die alleen door God kan worden begrepen. Het is voor als we zelf geen woorden meer hebben, dan neemt de Geest het over. We vinden dit nergens in de Bijbel. Overal waar het over talen gaat, worden bestaande, verstaanbare talen bedoeld.

In het boek Handelingen, vooral hoofdstuk 2, zijn de tongen letterlijk bestaande talen, maar in 1Ko lijkt het te gaan over niet verstaanbare talen, die niet moeten worden vertaald, maar uitgelegd. ‘Niemand verstaat het’ (1Ko14:2), terwijl in Hd2 juist iedereen het verstond! De moeilijkheid wordt weggenomen als we ons beseffen dat het in Hd2 gaat om Joden die de talen kenden en in 1Ko14 over Grieken die de talen niet kenden. Paulus schrijft dan ook dat het spreken in talen een teken is voor de ongelovigen (1Ko14:22, met een citaat uit Js28:11 waaruit blijkt dat hiermee de Joden worden bedoeld). Dit komt overeen met Marcus 16:17 waar tongen of nieuwe talen ook in het rijtje worden genoemd van de tekenen. Talen zijn dus altijd tekenen! 

De gesproken taal in de gemeente van Korinthe had een teken-functie voor de ongelovige aanwezige Joden, de gelovige Grieken verstonden het niet en het was dus niet tot opbouw. De ongelovige heidenen hadden er ook niets aan, zie 1Ko14:23. Voor de Jood was de taal een teken dat Gods Geest ook op heidenen was uitgestort! In Hd2 horen Joden ineens dat God wordt grootgemaakt in de taal van hun geboorteland. De Joden waren verspreid onder de heidenen dus voor het eerst wordt God grootgemaakt, niet in de Hebreeuwse taal, maar in een heidense taal! Dit was een unieke situatie waarmee God aangaf dat het evangelie naar de heidenen zou gaan en dat dit dus het oordeel betekende over de Joden als volk van God.

Paulus brengt een correctie aan op de situatie in Korinthe. Dit moeten we goed voor ogen houden. Het is geen voorschrift van hoe een gemeente zou moeten functioneren, maar een rechtzetten van een kromme praktijk tot onze lering.

‘Wie in een taal spreekt, spreekt niet voor mensen, maar voor God (1Ko14:2)’, terwijl in Hd2 het wel voor mensen is! Of moeten we concluderen dat in Hd2 ook werd gesproken voor God, maar dat mensen het wel konden verstaan? Dat lijkt me juist. De discipelen spraken ‘over de grote daden van God (Hd2:11). Het spreken in tongen is altijd voor God (zie ook ‘God grootmaken’ in Hd10:26). In de gemeente moet alle uiting opbouwend zijn, dus als men in een nieuwe taal spreekt (tot God, voor de gemeente), moet het uitgelegd worden (zie verderop).

‘Wie in een taal spreekt, bouwt zichzelf op (1Ko14:3)’, terwijl in Hd2 sommigen in de menigte werden aangesproken. Het hele punt met 1Ko14 is m.i. dat Paulus alleen bestrijdt dat er mensen waren die de talen gebruikten voor zichzelf, zonder de intentie de anderen op te bouwen. Als er uitleg is, was het wel toegestaan. In Hd2 was die niet nodig, want allen verstonden het. Dat er een spreken in talen zou zijn die ons geestelijk zou opbouwen, staat niet in deze tekst en vindt verder geen enkele grond in de Bijbel. Daarbij komt dat alle gaven bedoeld zijn tot stichting van de gemeente. kijk eens naar de context van 1Ko14:

(1) 12:7 ‘… aan ieder wordt de openbaring van de Geest gegeven tot wat nuttig is’.

(2) 12:25 ‘… maar de leden voor elkaar gelijke zorg dragen’.

(3) 14:3 ‘… wie profeteert, spreekt voor mensen tot opbouwing, vermaning en vertroosting’.

(4) 14:4 ‘… wie profeteert, bouwt de gemeente op’.

(5) 14:5 ‘… opdat de gemeente opbouwing ontvangt’.

(6) 14:6 ‘… welk nut zal ik u doen?’

(7) 14:7 ‘… hoe zal men weten …?’

(8) 14:8 ‘… wie zal zich gereedmaken?’

(9) 14:9 ‘… hoe zal men weten …?’

(10) 14:12 ‘… tot de opbouwing van de gemeente’.

(11) 14:16 ‘… hoe zal hij … de onkundige … amen zeggen?’

(12) 14:16 ‘… Hij weet immers niet wat u zegt?’

(13) 14:17 ‘… de ander wordt niet opgebouwd’.

(14) 14:19 ‘… om ook anderen te onderwijzen’.

(15) 14:26 ‘… laat alles gebeuren tot opbouwing (van de anderen)’.

(16) 14:31 ‘… opdat allen leren’.

(17) 14:31 ‘… en allen vertroost worden’.

(18) Hoofdstuk 13 in zijn geheel heeft het over de liefde, die op uitzonderlijke wijze een vrucht is voor anderen. Een boom draagt immers geen vruchten voor zichzelf.

Alleen al daarom is de bewering dat het spreken in talen jezelf opbouwt ongegrond. Paulus bedoelt met deze opmerking dat het een averechts effect had in Korinthe. Bouwt het de ander niet op, dan alleen jezelf en dan mist de gave het doel. 

‘De talen zijn dus tot een teken, niet voor de gelovigen, maar voor de ongelovigen (1Ko14:22)’, terwijl hij er meteen achteraan zegt dat als er dan een ongelovige binnenkomt en iedereen in talen spreekt, deze zou ‘afhaken’ omdat hij wartaal hoort. Mijns inziens is de uitleg niet al te moeilijk. God gebruikte de (heidense) talen om tot zijn eigen volk te spreken (Hd2), zoals aangekondigd in Js, maar zo, dat ze ondanks dat, niet zouden luisteren (1Ko14:21). Nu heeft de massa van de joodse luisteraars ook het evangelie afgewezen. Een ‘teken’ betekent een ‘oordeelsteken.’ Paulus redeneert dan: Het verschijnsel talen is voor de ongelovigen ten teken, dus met gelovigen heeft dit weinig van doen, als het om de stichting gaat! Hij gebruikt dus het citaat uit Js28 om zijn redenering kracht bij te zetten dat uitingen in een tong niet primair voor gelovigen is bedoeld. Profetie wel, daarom moet een gemeente er naar streven hierin uit te blinken. Hierboven heb ik al uitgelegd dat de ongelovige heiden die een onuitgelegde taal hoorde, dacht dat de gemeente in wartaal sprak. 

Het is overduidelijk dat het spreken in talen hoort in het rijtje van de gaven van genade (genadegaven: charismata) uit 1Ko12:8-10. Maar dit was ten tijde van het ontstaan van de gemeente, toen men nog niet het woord van God compleet had en er dus ook nog profeten nodig waren die openbaringen hadden. Het Woord was immers nog niet beschikbaar zoals wij dat wel hebben.

‘Talen zij zullen ophouden’, schrijft Paulus in 1Ko13:8 en dat is ook gebeurd. Toen het fundament van de gemeente was gelegd en het oordeel definitief over Israël was uitgesproken was deze gave niet meer nodig. Vandaag wordt er dus niet meer in talen gesproken zoals destijds om de eenvoudige reden dat het oordeel reeds is aangezegd aan Israël en zij defintitef terzijde zijn gezet totdat de gemeente voltallig is. 

Zij die vandaag beweren te communiceren met God in een bijzondere, onverstaanbare taal misleiden zichzelf. Hun zelfbedrog vindt zijn oorsprong in het centrale zenuwstelsel en niet zelden zien we mensen in depressies raken na verloop van tijd. Ook zijn zij vatbaar voor allerlei misleidingen vanuit de charismatische beweging. Het is zelfs soms zo, dat zij de leugens over het genezen van honderden mensen en het opwekken van doden blijven geloven en verkondigen, terwijl de werkelijkheid totaal anders is en deze dingen helemaal niet gebeuren!

Men spreekt zelfs ook over het spreken in talen als een als geestelijk wapen. Demonen zouden er een hekel aan hebben. Dat dit grootmaken van God in talen/tongen krachtig de bevrijdingsbediening ondersteunt, is vanuit de Schrift niet te bewijzen. Ze spreekt in dit verband er niet over, hoewel sommigen zeer creatief zijn in het toch willen bewijzen dat tongentaal in de geestelijke strijd zo belangrijk is. Men komt met allerlei teksten die spreken over het ‘bidden in de Geest’, maar daar is geen enkele sprake van de gave van het spreken in talen tenzij je het er in wilt lezen. De drie teksten waar men altijd weer naar verwijst vinden we in:

1. Romeinen 8:26 waar we lezen dat de Geest voor ons pleit met onuitsprekelijke verzuchtingen. Hier staat ‘voor’ en niet ‘door’, een groot verschil. Niets in dit gedeelte wijst op geestelijke strijd met boze machten, maar over ons zuchten in een schepping die vruchteloos is geworden. Er is dus weinig tot geen ruimte om hier een bidden van de Geest door ons heen in te zien.

2. Efeziërs 6:18 waar Paulus de lezers oproept voor hem te bidden in de Geest. Men leest hier graag het spreken in talen in, maar ‘bidden’ in de Geest is een geestelijk bidden, naar Gods wil en in Zijn kracht. Paulus spreekt hier over de ondersteuning voor zijn evangelieverkondiging waar de hemelse roeping centraal staat. Dat was zeker een strijd (zie Ko2:1), maar niet de strijd die sommigen erin willen zien, namelijk in de bevrijdingsbediening.

3. Judas:20 Ook hier staat weer ‘bidden in de Heilige Geest’. Zie punt 2. Geen sprake van geestelijke strijd in dit vers. Wees waakzaam! Laat u niet misleiden door te streven naar iets dat alleen was voor de begintijd van de gemeente. Richt u liever op het Woord van God en de Heer Jezus die ons daarin wordt voorgesteld. Dán zult u evenwichtig in uw geloofsleven worden.