In een vorig artikel heb ik aan proberen te tonen dat alles in de gemeente over Christus zou moeten gaan. In dit artikel wil ik graag meer vertellen waarom. Paulus noemt zijn evangelie ‘het evangelie van de heerlijkheid van Christus’ (2Kor4:4) en in 2Kor3:18 schrijft hij:

Wij allen nu, die met een onbedekt gezicht de heerlijkheid van de Heer aanschouwen, worden naar hetzelfde beeld veranderd van heerlijkheid tot heerlijkheid, als door de Heer, de Geest.

We lezen hier dat wij gaan veranderen als we de heerlijkheid van de Heer Jezus ‘aanschouwen’. Waar we mee vervuld zijn, krijgt gestalte in ons. Er is geen andere manier om te gaan lijken op de Heer Jezus dan om zijn heerlijkheid te aanschouwen. Wat houdt deze heerlijkheid in en hoe aanschouwen wij deze dan precies?

We vinden in dit hoofdstuk, 2 Korinthiërs 3 een groot contrast tussen de wet die door Mozes kwam en de genade die door Jezus is gekomen. De wet is een ‘bediening van de dood’ (vers 7) en een ‘bediening van de veroordeling’ (vers 9) omdat in de mens geen kracht aanwezig is om deze wet te onderhouden en dus leidt de overtreding van de wet tot de dood en veroordeling van deze mens. De wet is dan ook ‘te niet gedaan’ (vers 11 en 13) en er is iets anders voor in de plaats gekomen, namelijk ‘de bediening van de Geest’ (vers 8). Deze Geest brengt leven en gerechtigheid welke beiden te vinden zijn in Christus. Hij is ons leven (Kol3:3) en Hij is onze gerechtigheid.

Uit Hem toch bent u in Christus Jezus, die ons geworden is: wijsheid van Godswege, gerechtigheid, heiliging en verlossing. 1 Korinthiërs 1:30

Hem die geen zonde gekend heeft, heeft Hij voor ons tot zonde gemaakt, opdat wij zouden worden gerechtigheid van God in Hem. 2 Korinthiërs 5:21

God vond in Hem de volmaakte mens en heeft Hem om die reden ver boven alle hemelen (Ef4:10) in de heerlijkheid geplaatst. Heel zijn leven heeft de Heer Jezus God verheerlijkt en in zijn dood bewees Hij op de ultieme wijze gehoorzaam te zijn aan de wil van de Vader (zie Joh10:17; Fil2:8-10). Nu is Hij verhoogd en geeft God Hem als het leven aan een ieder die gelooft. ‘Ik ben de opstanding en het leven’ zegt Hij in Joh11:25. Ook is Hij de gerechtigheid van een ieder die gelooft, zoals Paulus schrijft in Fil3:9: ‘Welke door het geloof in Christus is, de gerechtigheid die uit God is’. We ontvangen dus niet de gerechtigheid of het leven, Hij IS het leven en onze gerechtigheid.

Nu is het de taak en het werk van de Heilige Geest om ons, door het geloof deze hemelse heerlijkheid van Christus duidelijk te maken. Hoe meer we vervuld zijn van zijn heerlijkheid, hoe meer het leven van Christus in onze lichamen, de vrucht van de Geest, zichtbaar wordt. Het is dus niet de bedoeling dat we bezig zijn met de vrucht, maar met Hem. ‘Want waar uw schat is, daar zal ook uw hart zijn’ (Mat6:21). Mozes had niet in gaten dat zijn gezicht ‘glansde, omdat de HEERE met hem gesproken had’ (Ex34:29). De ‘zonen van Israël’ (2Kor3:13) zagen deze glans wel (en konden het niet aanzien zodat Mozes een bedekking voor zijn gezicht moest doen). Zo zijn ook wij niet bezig met onze ‘glans’, de vrucht die anderen juist wel opmerken. Onze verantwoordelijkheid is om de heerlijkheid van Christus te ‘aanschouwen’, dat is intensief de focus daarop hebben, daarover nadenken, dat bewonderen, daarover spreken. Maar dan moet deze heerlijkheid ons wel onderwezen worden, getoond worden uit de Schrift! En juist dát gebeurt nu zo weinig in de gemeenten waar we vooral bezig zijn met onszelf, hoe wij vrucht kunnen dragen, wat onze gaven zijn, hoe wij gezond kunnen worden, of gelukkig etc.

Een ander aspect van de heerlijkheid van Christus vinden we in Joh1:14:

En het Woord is vlees geworden en heeft onder ons gewoond (en wij hebben zijn heerlijkheid aanschouwd, een heerlijkheid als van een eniggeborene van een vader) vol van genade en waarheid. 

De Heer Jezus is het Woord, de uitdrukking van God. In zijn aangezicht zien we de heerlijkheid van God de Vader, Wie Hij ten volle is want het Woord was ‘bij God’ (Joh1:1). Hij, als God de Zoon, was van eeuwigheid af ‘in de schoot van de Vader’ (Joh1:18). De kennis van de heerlijkheid van God vinden we daarom in Christus (zie 2Kor4:6). De eeuwige liefde van de Vader is openbaar geworden in Christus toen Deze zijn leven gaf voor ons. Nog voordat er een schepping was heeft deze liefde alle gelovigen van de gemeente al verbonden met de Zoon en in Christus uitverkoren en voorbestemd (Ef1:4-5). De volmaakte heiligheid van God werd openbaar in Hem toen Hij, de Rechtvaardige, tot zonde werd gemaakt voor ons (Rom8:3; 2Kor5:21) en Hij de hele mensheid op het kruis deed sterven (2Kor5:14). Zijn ontferming werd in Christus openbaar die de zijnen heeft ‘liefgehad tot het einde’ (Joh13:1). Als we deze heerlijkheden aanschouwen, onze harten daarmee vullen, door het geloof, vanuit het woord van God, dan zullen onze levens veranderen. Paulus bidt daarom dat er in onze innerlijke mens kracht zal komen als ‘Christus woont in de harten’ (Ef3:17). Johannes schrijft:

Wat van het begin af was, wat wij gehoord, wat wij gezien hebben met onze ogen, wat wij aanschouwd en onze handen betast hebben betreffende het woord van het leven (en het leven is geopenbaard en wij hebben gezien en getuigen en verkondigen u het eeuwige leven, dat bij de Vader was en ons geopenbaard is. 1 Johannes 1:1-2

Het leven is geopenbaard! Hij is ons leven. De Geest wil Hem, uw leven aan u openbaren opdat ‘ook het leven van Jezus openbaar wordt in ons sterfelijk vlees’ (2Kor4:11). Neemt u geen genoegen met minder. Geen preken over onszelf, geen Bijbelstudies over ingewikkelde thema’s, geen ‘christelijke psychologie’, maar zoek en aanschouw de heerlijkheid van de Heer Jezus. Dát is de wil van God (Kol1:9). Al het andere is mensenwerk dat geen stand zal houden als de dag straks in vuur zal aanbreken (1Kor3:13) en alles zal wegbranden dat niet van Christus is of van Hem spreekt.